De messias (Ben David)
Inleiding:
Het Jodendom en in het Christendom hebben beiden een eigen definitie van de Messias, wie de Messias is en wat zijn taak is. Die taak en de invulling van de Messias zijn voor beiden groepen enorm verschillend. Beiden groepen zeggen ze zich te baseren op de voorzeggingen in de Tenach (het Oude Testament).
Wat je hier vindt is een een studie ofwel een bestudering van de teksten in de Tenach (Oude Testament) waarin de Messias (Ben David) duidelijk als Messias wordt benoemd en beschreven door de ogen van een Orthodoxe Jood. Verder vind je hier een studie over Jesaja 53 zoals Orthodoxe Joden het lezen. Tenslotte een studie van teksten, waar dat niet duidelijk in naar voren komt dat er gesproken wordt over de Messias. Dit zijn volgens de Christenen de zogenoemde 'verborgen' profetieën. Die teksten worden in hun verband bekeken op hun betekenis vanuit Joods perspectief.
Deze bijgaande studies zijn tot stand gekomen n.a.v. een gezamelijke studie van een groep gelovigen met verschillende standpunten (Joodse en Chistelijke) !!!. Van de teksten die er bestudeerd werden, werd er achteraf een samenvatting gemaakt.
De teksten waarin de Messias ben David wordt voorzegt:
In het samenstellen van de lijst ontdekten we dat er in de Tenach relatief weinig aandacht wordt gegeven aan de (exacte identiteit van de) Messias in vergelijking met de hoedanigheid van de Messiaanse tijd. Er worden vooral kenmerken gegeven van wat hij doet. De geschriften leggen duidelijk meer de nadruk op het belang van de Messiaanse tijd dan op het belang van de persoon van de Messias.
Gen. 49:10 De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en hem zullen de volken gehoorzaam zijn. 11 Hij zal zijn ezel aan de wijnstok binden en het jong zijner ezelin aan de wingerd; hij zal zijn kleed in wijn wassen en in druivebloed zijn gewaad.
Silo wordt gezien als de Messias. Hij wordt beschreven als iemand aan wie de volken fysiek gehoorzaam zullen zijn. Een wereldheerser. Dat hij zijn ezel bindt aan de wijn stok wijst er op dat in die tijd zo zegenrijk en vruchtbaar zullen zijn. Ook alles in de natuur zal goed groeien. Zo goed dat de wijnstokken zo sterk zullen zijn dat je er een ezel aan vast kunt binden. De ezel werd het vervoermiddel (om rond te rijden) van het koningshuis van David. Het tweede gedeelte van de tekst over zijn kleding vinden we ook in Jes. 63:2. Het laat zien dat de Messias de vijanden van God en Israël vernietigt. Haat tegen God komt tot uiting in haat tegen Israël. Zie de geschiedenis van Amalek in Gen. 17.
Jes 63: 2 Waarom is dat rood aan uw gewaad, en zijn uw klederen als die van iemand die de wijnpers treedt? 3 Ik heb de pers alleen getreden en van de volken was niemand bij Mij, Ik trad hen in mijn toorn en vertrad hen in mijn grimmigheid; toen spatte hun bloed op mijn klederen en ik bezoedelde mijn ganse gewaad.
Nu 24:7 Water vloeie uit zijn emmers, en zijn zaad hebbe overvloedig water; ja, zijn koning verheffe zich boven Agag, en zijn koninkrijk zij verheven.
Deze voorzegging wordt uitgesproken door Bileam. Terugverwijzend naar de vorige tekst is het waarschijnlijk dat uiteindelijk hier ook de Messias mee wordt bedoeld. Hij zal een bron van zegeningen. Water wordt in de Bijbel ook wel gezien als een beeld van het Woord van God, de Thora. Verder wordt hij hier weer als een krachtig vorst beschreven die de ‘Amelekieten’ zal verslaan.
Nu 24:17 Ik zie hem, doch niet nu; ik aanschouw hem, doch niet nabij; een ster treedt op uit Jakob en een scepter verheft zich uit Israël; hij verplettert Moab aan beide einden, en verplettert alle zonen van het slaggewoel.
Ook weer een voorzegging die wordt uitgesproken door Bileam. Er wordt hier over een ster gesproken. Een ster is een wegwijzer. Hij wijst de juiste weg (brengt het volk terug in de wegen van de Thora). Het is een heerser, die Moab, de vijand van Israël vernietigt
Deut.17: 4 Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de Eeuwige, uw God, u geven zal, dit in bezit genomen hebt en daarin woont, en gij dan zoudt zeggen: Ik wil een koning over mij aanstellen, zoals alle volken rondom mij hebben, 15 dan zult gij over u de koning aanstellen, die de Eeuwige, uw God, verkiezen zal; uit het midden van uw broeders zult gij een koning over u aanstellen; geen buitenlander, die uw broeder niet is, zult gij over u mogen aanstellen. 16 Maar hij zal niet veel paarden houden en het volk niet naar Egypte terugvoeren om zich veel paarden aan te schaffen; want de Eeuwige heeft tot u gezegd: Op deze weg zult gij nooit meer terugkeren.17 Ook zal hij zich niet vele vrouwen nemen, opdat zijn hart niet afwijke; ook zal hij zich niet te veel zilver en goud vergaren. 18 Wanneer hij nu op de koninklijke troon gezeten is, dan zal hij voor zich een afschrift laten maken van deze wet, welke bij de levitische priesters berust. 19 Dat zal hij bij zich hebben en daarin zal hij lezen gedurende heel zijn leven om te leren de Eeuwige, zijn God, te vrezen door al de woorden van deze wet en al deze inzettingen naarstig te onderhouden,20 opdat zijn hart zich niet verheffe boven zijn broeders, en hij van het gebod niet afwijke naar rechts of naar links, opdat hij lange tijd koning moge blijven, hijzelf en zijn zonen, te midden van Israël.
Hier wordt het profiel van de toekomstige koning geschetst die G’d zal aanstellen. Vandaar dat David in Ps. 40:7 “Toen zeide ik: Zie, ik kom; in de boekrol is over mij geschreven” De Messias zal vorst zijn in de vorstelijke lijn van David. Dus ook op hem slaat dit gedeelte. ‘voor zich een afschrift van deze wet zal laten maken’ ziet er op dat hij persoonlijk de wet voor zal leven.
1 Sam. 2:10 Wie met de Eeuwige twisten, worden gebroken; over hen dondert Hij in de hemel. De Eeuwige richt de einden der aarde; Hij geeft sterkte aan zijn koning en verhoogt de hoorn van zijn gezalfde.
Er wordt hier echter niet duidelijk een verwijzing naar de Messias gemaakt. De Joodse uitleggers gaan er (in eenheid met andere teksten) echter van uit dat het hier ook om de Messias (de gezalfde) gaat. De Messias is uiteindelijk een koning die zijn taak ten volle uit zal voeren. Hij is door G’d bekrachtigt.
1 Sam. 12:1 Samuel nu zeide tot geheel Israël: Zie, ik heb naar u geluisterd in al wat gij tot mij gezegd hebt, en heb een koning over u aangesteld. 2 Nu dan, zie, de koning gaat u voor; ik echter ben oud en grijs geworden, en zie, mijn zonen zijn bij u; van mijn jeugd af tot op deze dag ben ik u voorgegaan. 3 Hier ben ik. Getuigt tegen mij in tegenwoordigheid van de Eeuwige en in tegenwoordigheid van zijn gezalfde: wiens rund heb ik genomen? Wiens ezel heb ik genomen? Wie heb ik verdrukt? Wie heb ik verongelijkt? Uit wiens hand heb ik een geschenk aangenomen en heb daarom mijn ogen toegedaan? Dan zal ik het u teruggeven.
Zou volgens sommige uitleggers een Messiaanse tekst zijn. Het komt er echter niet duidelijk vanuit de context naar voren. Er wordt alleen melding gemaakt van ‘zijn gezalfde’. Hier gaat het hoogstwaarschijnlijk om koning Shaul. Vanwege het gebruik van het woord gezalfde zou dat volgens sommige uitleggers is het woord ‘(zijn) gezalfde’ vaak ook een verwijzing naar de Messias.
2 Sam. 7:12 Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13 Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen.
Het koningschap van David en de koninklijke troon zal worden bevestigt. Verder zal hij de tempel (fysieke) bouwen. Er wordt hier in de eerste plaats over Salomo gesproken. Verder gaat het over de Messias die uiteindelijk de taak compleet zal vervullen (zoals dat nog niet is gebeurt). Hij zal dus in een gelijkwaardig bestel koning zijn. G’d geeft de belofte dat de koninklijke lijn door zal blijven gaan. Uiteindelijk zal de Messias de taak in volheid vervullen.
1 Kronieken 17:12 Die zal Mij een huis bouwen, en Ik zal zijn troon voor immer bevestigen.
Idem als in 2 Sam. 7:12
1 Kron. 22:10 Die zal een huis bouwen voor mijn naam; hij zal Mij tot een zoon zijn, en Ik hem tot een vader; Ik zal zijn koninklijke troon in Israel voor immer bevestigen.
Idem als in 2 Sam. 7:12. Eerst dus over Salomo die hier dus (als mens) zoon van G’d wordt genoemd.
1 Kron. 28: 6 En Hij zeide tot mij: Uw zoon Salomo is het, die mijn huis en mijn voorhoven bouwen zal, want Ik heb Mij hem tot een zoon verkoren, ook zal Ik hem tot een vader zijn; 7 en Ik zal zijn koningschap voor altijd bevestigen, wanneer hij volhardt in het betrachten van mijn geboden en mijn verordeningen, gelijk heden ten dage.
Idem als in 2 Sam. 7:12. Eerst dus over Salomo die ook hier dus (als mens) zoon van G’d wordt genoemd. Hier wordt G’ds belofte gekoppeld aan het houden van de Thora. De Messias zal succesvol zijn omdat Hij zich houdt aan de Thora.
2 Kronieken 7:18 dan zal Ik uw koningstroon bevestigen, zoals Ik Mij jegens uw vader David verbonden heb met de woorden: nimmer zal u een man ontbreken, die over Israël heerst.
Idem als in 2 Sam. 7:12. Het gaat dus om een fysieke koning over Israël zoals David dat was. Hij wordt ook wel genoemd Messias ben David. (Binnen het jodendom is er ook een Messias ben Jozef bekend maar dat is geheel iets anders)
2 Kronieken 21:7 Maar de Eeuwige wilde het huis Davids niet verdelgen, ter wille van het verbond dat Hij met David gesloten had, en omdat Hij gezegd had, dat Hij hem en zijn zonen altijd een lamp zou geven.
Belofte dat het huis van David voort zal blijven bestaan. De Messias zal uit dat ‘huis’ voortkomen.
Jes 2:4 En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natien.
Deze tekst geeft aan dat zijn macht en rechtspraak zal uitstrekken over volken en machtige natien
Jes. 9: 3 Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 4 Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. 5 Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. 6 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en de Wonderbare Raadsman, Sterke God , Eeuwige Vader noemt hem Vredevorst. 7 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Eeuwige der heerscharen zal dit doen.
Hier wordt er verwezen naar een fysieke koning die aanvallende, bloeddorstige legers (stampende schoen) vernietigt. Hij zal vrede stichten voor zijn koninkrijk. Het wijst in de eerste plaats op de geboorte van Hizkia de zoon van Achaz die godvruchtig was en daardoor vrede kreeg. Verder kan het naar de Messias ben David verwijzen die dan wel wordt getekend als een koning in een aards bestel.
Jesaja 11:1 En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. 2 En op hem zal de Geest van de Eeuwige rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze van de Eeuwige; 3 ja, zijn lust zal zijn in de vreze van de Eeuwige. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; 4 want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden. 5 Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. 6 Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; 7 de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; 8 dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. 9 Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Eeuwige, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. 10 En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natien, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. 11 En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopie, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. 12 En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israel verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. 13 Dan zal de afgunst van Efraim verdwijnen en zij die Juda benauwen, zullen uitgeroeid worden; Efraim zal niet afgunstig zijn op Juda en Juda zal Efraim niet benauwen. 14 Westwaarts zullen zij de Filistijnen op de schouder vliegen, samen zullen zij de stammen van het Oosten plunderen; naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken en de Ammonieten zullen hun onderhorig zijn. 15 Dan zal de Eeuwige de zeeboezem van Egypte met de ban slaan en Hij zal zijn hand tegen de Rivier bewegen met de gloed van zijn adem, en Hij zal haar tot zeven beken uiteenslaan en maken, dat men geschoeid daardoor kan gaan. 16 Dan zal er een heerbaan zijn voor de rest van zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israel geweest is ten dage, toen het optrok uit het land Egypte. 12:1 En gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, Eeuwige, omdat Gij toornig op mij zijt geweest; uw toorn heeft zich afgewend en Gij vertroost mij. 2 Zie, God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet, want mijn sterkte en mijn psalm is HaShem de Eeuwige, en Hij is mij tot heil geweest. 3 Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils. 4 En gij zult te dien dage zeggen: Looft de Eeuwige, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend, vermeldt, dat zijn naam verheven is. 5 Psalmzingt de Eeuwige, want Hij heeft grootse dingen gedaan; dit worde bekendgemaakt op de ganse aarde. 6 Juicht en jubelt, inwoners van Sion, want groot in uw midden is de Heilige Israëls.
Er wordt hier gesproken over een rijsje dat voortkomt uit de afgehouwen tronk van Ishai. Wat ziet op een nakomeling van David nadat er geen hoop meer was voor een nakomeling. Na de tijd van koning Agrippa (die als laatste regeerder van Israël uit het geslacht van David was) lijkt de lijn van het geslacht van de ‘stam’ van David afgestorven. G’d belooft een nieuwe nakomeling. In vers 6 staat dat hij godvrezend zal zijn (als hij G’d zou zijn zou dit een onzinnige toevoeging zijn). Verder staat er dat hij als rijsje is voortgekomen Hij fysiek heerser en rechter zal zijn. Daardoor zal er in die tijd zoveel recht zijn dat het een effect op de natuur heeft. Zelfs een wolf en een lam kunnen tezamen zijn zonder dat de ene de ander verscheurt. In die tijd dat de Messias ontsproten is zal hij de rest van het volk Israël loskopen wat op dat moment nog in de verstrooiing is. En de volken zullen zich aan hem onderwerpen.
Jes 52:7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning.
De Messias zal een boodschapper zijn van vrede.
Jes. 59: 17 Hij bekleedde Zich met gerechtigheid als met een pantser en de helm des heils was op zijn hoofd; Hij bekleedde Zich met wraak als met een gewaad en Hij hulde Zich in ijver als in een mantel. 18 Naar de daden zal Hij vergelden: grimmigheid aan zijn tegenstanders, vergelding aan zijn vijanden; aan de kustlanden zal Hij vergelding doen. 19 En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam van de Eeuwige vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem van de Eeuwige voortgezweept. 20 En een Verlosser zal komen voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord van de Eeuwige. 21 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Eeuwige. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Eeuwige, van nu aan tot in eeuwigheid.
In vers 20 wordt de Verlosser genoemd, de Messias die zal komen. Hij zal verlosser zijn voor degene die zich van het volk Israël bekeren. De anderen zullen er niet meer zijn. Gelet op de voorgaande verzen gaat het hier ook weer om fysieke verlossing (die natuurlijk ook geestelijke invloed heeft).
Jer. 22:3 zo zegt de Eeuwige: doet recht en gerechtigheid, bevrijdt de beroofde uit de macht van de verdrukker, doet vreemdeling, wees en weduwe schade noch geweld aan en vergiet geen onschuldig bloed op deze plaats. 4 Want indien gij dit nauwgezet doet, dan zullen door de poorten van dit huis koningen binnengaan, die gezeten zijn op de troon van David, rijdende in wagens en op paarden, hij zelf met zijn dienaren en zijn volk.
Bekering door weer volgens de Thora te gaan leven resulteert in het bevestigen van de koninklijke troon van David waar uiteindelijk de Messias ben David ook op plaats zal nemen en het bevestigen van de stad Jeruzalem en de tempel.
Jer. 22: 18 Daarom zegt de Eeuwige aldus van Jojakim, de zoon van Josia, de koning van Juda: Men zal niet om hem klagen: ach mijn broeder, of: ach zuster; men zal niet om hem klagen: ach heer, of: ach zijne majesteit! 19 Met een ezelsbegrafenis zal hij begraven worden: wegslepen en nederwerpen buiten de poorten van Jeruzalem. 20 Beklim de Libanon en hef geschreeuw aan, laat op de Basan uw stem horen, hef geschreeuw aan van Abarim uit, want al uw minnaars zijn verpletterd. 21 Ik heb tot u gesproken, toen gij in rust verkeerdet; gij hebt gezegd: Ik wil niet horen. Dat was uw weg van uw jeugd af aan, want gij hebt naar mijn stem niet gehoord. 22 Al uw herders zal de wind weiden en uw minnaars zullen in gevangenschap gaan. Want dan zult gij beschaamd staan en te schande worden om al uw boosheid. 23 Gij, die gezeten zijt op de Libanon, u nestelt in de ceders, hoe zult gij zuchten, als u weeen overkomen, smart als van een barende! 24 Zo waar Ik leef, luidt het woord van de Eeuwige, al was Konjahu, de zoon van Jojakim, de koning van Juda, een zegelring aan mijn rechterhand, toch zou Ik u daar afrukken 25 en u geven in de macht van wie u naar het leven staan, in de macht van hen voor wie gij vrees koestert, in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, en de Chaldeeen; 26 en Ik zal u met uw moeder, die u gebaard heeft, wegslingeren naar een ander land, waar gij niet geboren zijt, en daar zult gij sterven; 27 en naar het land waarop zij hun hart zetten om daar terug te keren, daarheen zullen zij niet terugkeren. 28 Is hij een versmade, verbrijzelde pot, deze man, Konjahu, of een waardeloos stuk aardewerk? Waarom zijn zij weggeslingerd, hij en zijn geslacht, verworpen naar een land, dat zij niet kenden? 29 Land, land, land, hoor het woord van de Eeuwige: 30 Zo zegt de Eeuwige: Schrijf deze man in als kinderloos, een man die in zijn dagen geen geluk heeft, want het zal aan geen van zijn nakomelingen gelukken om te zitten op de troon van David en weer over Juda te regeren. 23:1 Wee de herders, die de schapen welke Ik weid, verderven en verstrooien, luidt het woord van de eeuwige. 2 Daarom, zo zegt de Eeuwige, de God van Israël, tot de herders die mijn volk weiden: Gij verstrooit en verstoot mijn schapen, en zoekt ze niet op; zie, Ik bezoek aan u de boosheid uwer handelingen, luidt het woord van de Eeuwige. 3 En Ik zal de rest van mijn schapen verzamelen uit al de landen waarheen Ik ze heb verdreven, en Ik zal ze doen wederkeren naar hun weiden, en zij zullen vruchtbaar zijn en zich vermeerderen. 4 Ook zal Ik over hen herders verwekken om hen te weiden, en zij zullen vrees noch schrik meer hebben, en zij zullen niet gemist worden, luidt het woord van de Eeuwige. 5 Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik aan David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. 6 In zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de Eeuwige is onze gerechtigheid. 7 Daarom zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat men niet meer zal zeggen: Zo waar de Eeuwige leeft, die de Israëlieten uit het land Egypte heeft doen optrekken, maar veeleer: 8 Zo waar de Eeuwige leeft, die het nageslacht van het huis Israëls heeft doen optrekken en die het heeft doen komen uit het Noorderland en uit al de landen waarheen Hij hen verdreven had; en zij zullen op hun eigen grond wonen.
In de periode dat de Spruit van David verwekt zal worden (23:5) zal hij als koning regeren, verstandig handelen en recht en gerechtigheid in het land zal doen. In die dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen. Zeker van die combinatie kan gezegd worden dat hij nog niet is geweest. Kan dus geen sprake zijn van een wederkomst waarbij hij pas koning zal zijn.
Jer 29: 11 Want Ik weet, welke gedachten Ik over u koester, luidt het woord van de Eeuwige, gedachten van vrede en niet van onheil, om u een hoopvolle toekomst te geven. 12 Dan zult gij Mij aanroepen en heengaan en tot Mij bidden, en Ik zal naar u horen; 13 dan zult gij Mij zoeken en vinden, wanneer gij naar Mij vraagt met uw ganse hart. 14 Dan zal Ik Mij door u laten vinden, luidt het woord van de Eeuwige, en in uw lot een keer brengen; dan zal Ik u verzamelen uit alle volkeren en van alle plaatsen waarheen Ik u verstoten heb, luidt het woord van de Eeuwige, en u terugbrengen naar de plaats vanwaar Ik u in ballingschap heb doen wegvoeren. 15 Wanneer gij zegt: De Eeuwige heeft ons in Babel profeten verwekt, 16 neen, zo zegt de Eeuwige van de koning die op de troon van David gezeten is, en van het ganse volk dat in deze stad woont, uw broeders die niet met u in ballingschap gegaan zijn, 17 zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Zie, Ik zend het zwaard, de honger en de pest onder hen en Ik maak hen als afschuwelijke vijgen, zo slecht, dat zij niet te eten zijn; 18 Ik achtervolg hen met het zwaard, de honger en de pest en Ik maak hen tot een schrikbeeld voor alle koninkrijken der aarde, tot een voorwerp van verwensing, van ontzetting, tot een aanfluiting en een smaad onder alle volken waarheen Ik hen verstoot, 19 omdat zij niet naar mijn woorden gehoord hebben, luidt het woord van de Eeuwige, waarmee Ik mijn knechten, de profeten, tot hen zond, vroeg en laat, zonder dat gij gehoord hebt, luidt het woord van de Eeuwige. 20 Hoort gij dan naar het woord van de Eeuwige, o alle ballingen die Ik uit Jeruzalem naar Babel weggezonden heb! 21 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel, van Achab, de zoon van Kolaja, en van Sidkiahu, de zoon van Maaseja, die in mijn naam vals profeteren: Zie, Ik geef hen in de macht van Nebukadressar, de koning van Babel, die hen voor uw ogen ter dood zal brengen, 22 zodat aan hen een vervloeking zal ontleend worden bij alle ballingen van Juda die in Babel zijn: De Eeuwige doe met u als met Sidkiahu en Achab, die de koning van Babel op het vuur geroosterd heeft! 23 Omdat zij een schandelijke dwaasheid in Israel hebben begaan, overspel hebben gepleegd met de vrouwen van hun naasten en in mijn naam een woord hebben gesproken, dat een leugen was, dat Ik hun niet had opgedragen. Ja, Ik weet het wel en ben er getuige van, luidt het woord van de Eeuwige. 24 En tot Semaja, de Nechelamiet, moet gij dit zeggen: 25 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen, de God van Israel: Omdat gij in uw naam aan het gehele volk in Jeruzalem en de priester Sefanja, de zoon van Maaseja, en al de priesters een brief gezonden hebt van deze inhoud: 26 De Eeuwige heeft u tot priester aangesteld in de plaats van de priester Jojada, om opziener te zijn in het huis van de Eeuwige over een ieder die waanzinnig is en zich als profeet voordoet en om die in blok en halsijzer te zetten; 27 maar waarom zijt gij dan niet opgetreden tegen Jeremia uit Anatot, die zich bij u als profeet voordoet? 28 Hij heeft ons in Babel immers de boodschap gezonden: Het zal nog lang duren, bouwt huizen en woont daarin, legt tuinen aan en eet de vrucht daarvan. 29 De priester Sefanja had namelijk deze brief aan de profeet Jeremia voorgelezen. 30 Het woord van de Eeuwige nu kwam tot Jeremia: 31 Zend deze boodschap aan al de ballingen: Zo zegt de Eeuwige van Semaja, de Nechelamiet: Omdat Semaja voor u geprofeteerd heeft, zonder dat Ik hem gezonden heb en u op een leugen heeft doen vertrouwen, 32 daarom zo zegt de Eeuwige: Zie Ik doe bezoeking aan Semaja, de Nechelamiet, en zijn nageslacht; van de zijnen zal niemand onder dit volk wonen en hij zal het heil niet zien, dat Ik mijn volk breng, luidt het woord van de Eeuwige, omdat hij afval van de Eeuwige gepredikt heeft. 30:1 Het woord, dat van de Eeuwige tot Jeremia kwam: 2 Zo zegt de Eeuwige, de God van Israel: Schrijf alle woorden die Ik tot u gesproken heb, in een boek. 3 Want zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik in het lot van mijn volk Israel en Juda een keer breng, zegt de Eeuwige, en hen terugbreng in het land dat Ik aan hun vaderen gegeven heb, zodat zij het zullen bezitten. 4 Dit nu zijn de woorden die de Eeuwige over Israel en Juda gesproken heeft.5 Want zo zegt de Eeuwige: Angstgeschrei horen wij, schrik en geen heil. 6 Vraagt toch, ziet, of een man baart; waarom zie Ik iedere man met zijn handen aan zijn heupen als een barende en heeft elk gelaat een lijkkleur gekregen? 7 Wee, want groot is die dag, zonder weerga; een tijd van benauwdheid is het voor Jakob; maar daaruit zal hij gered worden. 8 Op die dag zal het gebeuren, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, dat Ik het juk van hun hals zal verbreken en hun banden zal verscheuren; vreemden zullen hen niet meer knechten, 9 maar zij zullen de Eeuwige, hun God, dienen en David, hun koning, die Ik hun verwekken zal. 10 Gij dan, vrees niet, mijn knecht Jakob, luidt het woord van de Eeuwige, en wees niet verschrikt, Israël, want zie, Ik verlos u uit verre streken, uw nakroost uit het land hunner gevangenschap; Jakob zal terugkeren en rustig en veilig zijn, door niemand opgeschrikt. 11 Want Ik ben met u, luidt het woord van de Eeuwige, om u te verlossen; want Ik zal met alle volken waaronder Ik u verstrooid heb, voorgoed afrekenen, maar met u zal Ik niet voorgoed afrekenen, doch naar recht u tuchtigen, al zal Ik u zeker niet vrij laten uitgaan………18 Zo zegt de Eeuwige: Zie, Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik Mij ontfermen: de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen. 19 Dan zal het loflied uit hun midden opstijgen, vreugdegedruis; Ik zal hen vermeerderen en zij zullen niet verminderen; Ik zal hen tot eer brengen en zij zullen niet veracht zijn. 20 Zijn zonen zullen zijn als eertijds, zijn vergadering zal bestendig voor Mij zijn en aan al zijn verdrukkers zal Ik bezoeking doen. 21 Zijn vorst zal uit hem voortkomen, zijn heerser uit zijn midden opstaan, en hem zal Ik doen naderen, dat hij tot Mij genake; want wie zou zijn hart ten borgtocht kunnen geven om tot Mij te genaken? luidt het woord van de Eeuwige. 22 Dan zult gij Mij tot een volk zijn en zal Ik u tot een God zijn. 23 Zie, een stormwind van de Eeuwige, gramschap vaart uit, een alles meesleurende storm! Op het hoofd der goddelozen zal hij neerkomen. 24 De brandende toorn van de Eeuwige zal zich niet afwenden, totdat Hij de plannen van zijn hart volvoerd en verwerkelijkt heeft; in het laatst der dagen zult gij dat inzien.
Het volk is afgeweken vanwege ongehoorzaamheid. God spreekt over herstel. Hij zal een keer brengen in het lot van Israël en Juda. Bij de terugkeer o.l.v. Zerubabel, Ezra en Nehemia is er wel een herstel geweest van Juda maar niet van Israël. Verder staat er dat vreemden hen niet meer zullen knechten, maar zij zullen de Eeuwige hun G’d dienen. Duidelijk is dat die tijd ook nog niet is geweest (ook vers 23 en 24 laten dat duidelijk zien). Dan zal G’d David hun koning verwekken wat een verwijzing is naar de Messias. De Messias wordt hier getekend als een koning in de lijn van David, gelijk als David.
Jer. 33: 2 Zo zegt de Eeuwige, die dat doet, de Eeuwige, die dat formeert, om het in vervulling te doen gaan, wiens naam Eeuwige is: 3 Roep tot Mij en Ik zal u antwoorden en u grote, ondoorgrondelijke dingen verkondigen, waarvan gij niet weet. 4 Want, zo zegt de Eeuwige, de God van Israël, aangaande de huizen dezer stad en de huizen van de koningen van Juda, die afgebroken zijn voor de wallen en voor het zwaard; 5 men komt om de Chaldeeën te bestrijden, om ze te vullen met de lijken der mensen die Ik in mijn toorn en mijn gramschap verslagen heb, en om al wier boosheid Ik mijn aangezicht voor deze stad verborgen heb: 6 Zie, Ik zal haar genezing schenken en herstel, Ik zal hen genezen en hun een schat van bestendige vrede ontsluiten; 7 ja, Ik zal een keer brengen in het lot van Juda en Israël en hen opbouwen als weleer; 8 Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben, en Ik zal hun vergeven al hun ongerechtigheden, waardoor zij tegenover Mij gezondigd hebben en van Mij afvallig geworden zijn. 9 Dan zal zij Mij tot een blijde naam worden, tot lof en eer bij alle volkeren der aarde, die van al het goede dat Ik aan hen doe, horen zullen; ja, zij zullen zich verbazen en verwonderen over al het goede en al het heil, dat Ik aan haar doe. 10 Zo zegt de Eeuwige: In deze plaats, waarvan gij zegt: Zij is verwoest, mens noch dier is er, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem die woest liggen, zonder mensen, zonder inwoners en zonder dieren, zal weer gehoord worden de stem der vreugde 11 en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, de stem van hen die zeggen: Looft de Eeuwige der heerscharen, want de Eeuwige is goed, want zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid! terwijl zij lofoffers in het huis van de Eeuwige brengen; want Ik zal in het lot van het land een keer brengen, zodat het wordt als tevoren, zegt de Eeuwige. 12 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In dit gebied, dat verwoest ligt, zodat er mens noch dier is, en in al zijn steden zal weer een weide zijn voor de herders die de schapen doen legeren; 13 in de steden van het Gebergte, van de Laagte en van het Zuiderland, in het land van Benjamin, in de omstreken van Jeruzalem en in de steden van Juda zullen de schapen weer onder de hand van de teller doorgaan, zegt de Eeuwige. 14 Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik het goede woord in vervulling zal doen gaan, dat Ik over het huis van Israël en het huis van Juda gesproken heb. 15 In die dagen en te dien tijde zal Ik aan David een Spruit der gerechtigheid doen ontspruiten, die naar recht en gerechtigheid in het land zal handelen. 16 In die dagen zal Juda verlost worden en Jeruzalem veilig wonen, en zo zal men het noemen: De Eeuwige is onze gerechtigheid. 17 Want zo zegt de Eeuwige: Nimmer zal het David ontbreken aan een man, die op de troon van het huis Israëls gezeten is; 18 en de levitische priesters zal het nimmer ontbreken voor mijn aangezicht aan een man die brandoffers offert, spijsoffers ontsteekt en slachtoffers brengt al de dagen. 19 Het woord van de Eeuwige kwam tot Jeremia: 20 Zo zegt de Eeuwige: Indien gij mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, 21 dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de Levieten, de priesters, mijn dienaren. 22 Zoals het heer des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik maken het nageslacht van mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23 Het woord van de Eeuwige kwam tot Jeremia: 24 Hebt gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Eeuwige verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is. 25 Zo zegt de Eeuwige: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, 26 dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Avraham, Itschak en Ya’akov, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.
In vers 15 staat dat in de dagen van de Spruit van David Juda verlost zal worden en Israël veilig zal wonen. Dan zal het aan David nimmer aan een man op de troon van het huis Israëls ontbreken en aan Levitische priesters die zullen offeren. In de tijd van de Messias zal de tempel er weer staan om niet meer afgebroken te worden.
Eze 21:27 Een puinhoop, een puinhoop, een puinhoop zal Ik ze maken. Maar ook zo zal het niet blijven. Totdat hij komt, die er recht op heeft en aan wie Ik het geven zal.
Ziet in de eerste plaats op Zerubabel maar uiteindelijk in zijn volle betekenis op de Messias die daadwerkelijk herstel zal brengen. Het kan ook vertaald worden met Verlaten, verlaten zal ik haar maken. Zoiets is er nooit geweest, tot de tijd van de komst van de uitvoerder van recht, als ik haar in zijn hand gegeven zal hebben. Jeruzalem zal uitermate verlaten zijn tot de tijdsperiode van de uitvoerder van recht.
Ezech 34: 22 zal Ik mijn schapen verlossen, opdat zij niet langer tot een prooi zijn; Ik zal rechtspreken tussen het ene schaap en het andere. 23 Dan zal Ik een herder over hen aanstellen, die hen weiden zal: mijn knecht David. Die zal hen weiden, die zal hun herder zijn. 24 Ik, de Eeuwige, zal hun God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen in hun midden. Ik, de Eeuwige, heb het gesproken. 25 Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten en het wild gedierte uit het land wegdoen, zodat zij veilig kunnen wonen in de steppe en slapen in de bossen. 26 Ik zal die, ja al wat rondom mijn heuvel ligt, tot een zegen stellen; Ik zal de regen doen neerdalen op zijn tijd, zegenbrengende regens zullen het zijn; 27 het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten. 28 Dan zullen zij de volken niet langer tot een prooi zijn; het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden, maar zij zullen veilig wonen, zonder dat iemand hen opschrikt. 29 Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30 En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israels, mijn volk zijn, luidt het woord van de Adonai de Eeuwige. 31 Gij toch zijt mijn schapen, de schapen die Ik weid; gij zijt mensen en Ik ben uw God, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.
De vorst die hier getekend wordt is duidelijk de Messias ben David. In de eerste plaats is hij een tegenbeeld van de vorsten die in Ezech. 22:6 worden genoemd en hun werk niet goed gedaan hebben (zelfzuchtige vorsten waren het). De Messias zal een vorst en herder zijn als alle koningen uit de lijn van David maar dan iemand die zijn taak naar behoren uitvoerd. (Het beeld van de weidende herder komt ook voor in Ps 78:71,72 “van achter de zogende schapen haalde Hij hem, om Jakob, zijn volk, te weiden en Israël, zijn erfdeel. Deze weidde hen naar de oprechtheid van zijn hart, en leidde hen met kundige hand.”.) Er wordt in deze tekst duidelijk een scheiding gemaakt tussen G’d en de Messias. Ze zijn duidelijk niet dezelfde. De Messias ben David wordt hier in verband gebracht met het veilig wonen van Israël in het land Israël. Dan wordt het juk van de verdrukkers verbroken en zal er ook welvaart in het land zijn. De Messias wordt hier met vorst aangeduid. Deze aanduiding wordt in het verdere van de hoofdstukken aangehouden. Verder komt duidelijk uit dit vers naar voren dat hij een mens en niet G'd zelf is 'Ik, de Eeuwige, zal hun God zijn, en mijn knecht David zal vorst wezen'.
Ezech 37:24 En mijn knecht David zal koning over hen wezen; een herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. 25 Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. 26 Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. 27 Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. 28 En de volken zullen weten, dat Ik, de Eeuwige, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat.
Weer wordt hier duidelijk de Messias ben David beschreven. In de volgende hoofdstukken (t/m 48) wordt er naar deze vorst verwezen, de Messias ben David. Hier wordt geschreven dat het volk Israël ten tijde van de regering van de vorst het volk weer in het land Israël zal wonen (om er niet meer uit verwijdert te worden) en dat het volk zal leven in overeenstemming met G’ds geboden (de Thora). Ook de tempel zal er op dat moment weer staan. G’d zet het volk Israël apart, heiligt hen.
Ezech. 44: 1 Toen bracht hij mij terug naar de buitenste poort van het heiligdom, die op het oosten uitzag; deze was gesloten.2 En de Eeuwige zeide tot mij: Deze poort zal gesloten blijven; zij zal niet geopend worden en niemand mag daardoor binnengaan, want de Eeuwige, de God van Israël, is daardoor binnengegaan; daarom moet zij gesloten blijve .3 Wat de vorst betreft, omdat hij vorst is, mag hij daarin gaan zitten om te eten voor het aangezicht van de Eeuwige; door de voorhal der poort zal hij naar binnen gaan en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 4 Daarop bracht hij mij naar de Noordpoort, naar de voorkant van het huis; ik zag, zie, de heerlijkheid van de Eeuwige vervulde het huis van de Eeuwige; en ik viel op mijn aangezicht. 5 Toen zeide de Eeuwige tot mij: Mensenkind, let aandachtig op, zie met uw ogen en hoor met uw oren alles wat Ik tot u spreek aangaande al de inzettingen en wetten van het huis van de Eeuwige; let aandachtig op het betreden van het huis door al de toegangen van het heiligdom, 6 en zeg dan tot de weerspannigen, tot het huis Israëls: Zo zegt Adonai de Eeuwige: gij hebt meer dan genoeg gruwelen bedreven, huis Israëls, 7 doordat gij vreemdelingen, onbesnedenen van hart en onbesnedenen van lichaam, hebt binnengebracht om in mijn heiligdom te zijn, om mijn huis te ontheiligen, terwijl gij de voor Mij bestemde spijze, vet en bloed, bracht, zodat zij mijn verbond schonden, boven al uw gruwelen. 8 En gij hebt zelf voor mijn heilige dingen geen zorg gedragen, maar gij hebt hen aangesteld om voor u mijn dienst in mijn heiligdom waar te nemen. 9 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de Israëlieten. 10 Maar wat betreft de Levieten die zich ver van Mij verwijderd hebben, toen Israël afdwaalde (zij zijn immers van Mij afgedwaald achter hun afgoden aan) zij zullen hun ongerechtigheid dragen: 11 zij zullen in mijn heiligdom dienst doen als wachters bij de poorten van het huis en als dienaren van het huis; zij zullen voor het volk het brandoffer en het slachtoffer slachten en te hunner beschikking staan om hen te dienen. 12 Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht van hun afgoden, en voor het huis Israëls een struikelblok tot ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb Ik mijn hand ten ede tegen hen opgeheven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige, dat zij hun ongerechtigheid zullen dragen. 13 Zij zullen tot Mij niet naderen om Mij als priester te dienen en om te naderen tot al mijn heilige, ja tot de allerheiligste dingen; maar zij zullen hun smaad dragen en de gruwelen die zij bedreven hebben. 14 Dus zal Ik hen aanstellen om voor het huis zorg te dragen, voor de gehele dienst daarvan en voor alles wat daarin te doen valt. 15 Maar de levitische priesters, de zonen van Sadok, die de dienst in mijn heiligdom in acht genomen hebben, toen de Israëlieten van Mij afdwaalden, die zullen tot Mij naderen om Mij te dienen, en zij zullen in mijn dienst staan om Mij vet en bloed te brengen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 16 Die zullen mijn heiligdom binnengaan, en die zullen tot mijn tafel naderen om Mij te dienen, en zij zullen mijn dienst waarnemen.
Hier wordt over de vorst gesproken. Vanuit Ezech. 34:24 en Ezech. 37:25 weten we dat het om de Messias ben David gaat. Als eerste wordt duidelijk dat G’d en de Messias niet een en dezelfde zijn. De Messias mag voor het aangezicht van de Eeuwige gaan zitten. Verder wordt dus gezegt dat de vorst gebruik mag maken van bepaalde gedeelten van het tempelcomplex om daar te eten.
Ezech. 45:7 Wat de vorst betreft, ter weerszijden van de heilige heffing en van de bezitting der stad, langs de heilige heffing en langs de bezitting der stad, aan de westzijde westwaarts en aan de oostzijde oostwaarts (en de lengte moet overeenkomen met een van de andere delen, van de westgrens tot de oostgrens) 8 zal zijn gebied zijn, tot een bezitting in Israël, zodat mijn vorsten mijn volk niet meer onderdrukken, maar het land overlaten aan het huis Israëls, naar hun stammen.
In deze tekst wordt de vorst (de Messias ben David) een stuk land toebedeelt. Meer zal hij niet krijgen voor zijn gebruik. Dit als tegenstelling van al de andere vorsten (uit de lijn van David) die er zijn geweest en zichzelf hebben verrijkt door stukken grond in beslag te nemen van ondergeschikte Israëlieten (zoals dat ook door koning Achab bij Nabot gebeurde).
Ezech. 45:13 Dit nu is de heffing die gij de vorst geven zult: een zesde efa van een homer tarwe en een zesde efa van een homer gerst; 3 Dit nu is de heffing die gij de vorst geven zult: een zesde efa van een homer tarwe en een zesde efa van een homer gerst; 14 en het recht op de olie, de bath olie, bedraagt een tiende bath van elke kor (tien bath een homer, want tien bath is een homer). 15 Voorts een stuk kleinvee van elke kudde van tweehonderd uit de waterrijke weiden van Israël, tot spijsoffer, brandoffer en vredeoffers, om over hen verzoening te doen, luidt het woord van Adonai de Eeuwige. 16 Al het volk des lands zal bijdragen aan deze heffing voor de vorst in Israëls. 17 Maar op de vorst rust de plicht van de brandoffers, het spijsoffer en het plengoffer, op de feesten, de nieuwemaansdagen en de sabbatten, op al de hoogtijden van het huis Israëls. Hij zal het zondoffer en het spijsoffer, het brandoffer en de vredeoffers brengen, om verzoening te doen voor het gehele huis Israëls. 18 Zo zegt Adonai de Eeuwig: In de eerste maand, op de eerste der maand, zult gij een gave jonge stier nemen en daarmede het heiligdom ontzondigen. 19 De priester zal daartoe iets van het bloed van het zondoffer nemen en dat strijken aan de post van het huis, aan de vier hoeken van de omloop van het altaar en aan de post van de poort van de binnenste voorhof. 20 Evenzo zult gij doen op de zevende van de maand ter wille van hen die onopzettelijk en onwetend zondigen; en gij zult verzoening doen voor het huis. 21 In de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zult gij het Pascha vieren; gedurende het feest van zeven dagen zullen ongezuurde broden gegeten worden. 22 Op die dag zal de vorst voor zichzelf en voor al het volk des lands een stier als zondoffer bereiden. 23 En gedurende de zeven dagen van het feest zal hij zeven dagen lang dagelijks als brandoffer voor de Eeuwige zeven stieren en zeven rammen bereiden, alle gaaf, en als zondoffer dagelijks een geitebok; 24 als spijsoffer zal hij een efa bij elke stier en een efa bij elke ram bereiden en een hin olie bij elke efa. 25 Ook in de zevende maand, op de vijftiende dag der maand, op het feest, zal hij het bereiden; zeven dagen lang desgelijks, zowel het zondoffer als het brandoffer, het spijsoffer zowel als de olie. 46:1 Zo zegt Adonai de Eeuwige: De poort van de binnenste voorhof, die op het oosten uitziet, zal op de zes werkdagen gesloten blijven, maar op de sabbatdag geopend worden; ook op de nieuwemaansdag zal zij geopend worden. 2 De vorst zal van buiten af door de voorhal der poort naar binnen gaan, en bij de post van de poort blijven staan; dan zullen de priesters zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, waarna hij zich zal nederbuigen op de drempel der poort, en dan naar buiten gaan. De poort mag tot de avond niet gesloten worden. 3 Het volk des lands echter zal zich op de sabbatten en de nieuwemaansdagen bij de ingang van die poort voor het aangezicht van de Eeuwige nederbuigen. 4 Het brandoffer dat de vorst de Eeuwige brengt, zal op de sabbatdag bestaan uit zes gave schapen en een gave ram; 5 en als spijsoffer een efa bij elke ram en bij de schapen een spijsoffer als hij bij machte is te geven, en een hin olie bij elke efa. 6 Op de nieuwemaansdag zullen het zijn een gave, jonge stier, zes schapen en een ram, alle gaaf; 7 en als spijsoffer zal hij een efa bij elke stier en een efa bij elke ram bereiden en bij de schapen naardat zijn vermogen toereikend is, en een hin olie bij elke efa. 8 Wanneer nu de vorst naar binnen gaat, zal hij door de voorhal der poort naar binnen gaan en langs dezelfde weg naar buiten gaan. 9 Maar wanneer het volk des lands op de feesttijden voor het aangezicht van de Eeuwige komt, dan zal wie door de Noordpoort binnengekomen is om zich neder te buigen, door de Zuidpoort naar buiten gaan en wie door de Zuidpoort binnengekomen is, zal door de Noordpoort naar buiten gaan. Hij zal niet door dezelfde poort terugkeren als waardoor hij binnenkwam, maar door die welke er recht tegenover ligt, naar buiten gaan. 10 De vorst zal, als zij naar binnen gaan, in hun midden naar binnen gaan, en als zij naar buiten gaan, zal hij ook naar buiten gaan. 11 Ook op de feesten en op de hoogtijden zal het spijsoffer een efa bij elke stier en een efa bij elke ram zijn, en bij de schapen zoveel als hij bij machte is te geven; voorts een hin olie bij elke efa. 12 Wanneer de vorst een vrijwillig offer bereidt, een brandoffer of een vredeoffer als vrijwillige gave aan de Eeuwige, dan zal men de poort die op het oosten uitziet, voor hem openen, en hij zal zijn brandoffer en zijn vredeoffer bereiden, zoals hij het op de sabbatdag doet; en nadat hij naar buiten gegaan is, zal men de poort na zijn vertrek sluiten. 13 Een eenjarig, gaaf schaap zult gij de Eeuwige dagelijks tot een brandoffer bereiden; elke morgen zult gij het bereiden; 14 als spijsoffer zult gij daar elke morgen bij doen een zesde efa en een derde hin olie om het fijn meel te bevochtigen; het is een spijsoffer voor de Eeuwige, altoosdurende, vaste inzettingen. 15 En bereidt het schaap, het spijsoffer en de olie elke morgen toe als een dagelijks brandoffer. 16 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Wanneer de vorst een geschenk aan een zijner zonen geeft, dan is het diens erfdeel; aan zijn zonen zal het toebehoren, het is hun bezit als erfdeel; 17 maar wanneer hij een geschenk uit zijn erfdeel aan een van zijn dienaren geeft, zal het hem toebehoren tot het jaar der vrijlating en dan tot de vorst terugkeren; voorwaar, het is zijn eigen erfdeel, aan zijn zonen zal het blijven toebehoren. 18 De vorst mag echter niets nemen uit het erfdeel van het volk door het uit zijn bezit te verdringen; hij zal van zijn eigen bezit zijn zonen doen erven, opdat niemand van mijn volk uit zijn bezitting verdreven worde.
In deze teksten wordt heel wat over de Messias ben David gezegd. (Nogmaals vanuit Ezech. 34:24 en Ezech. 37:25 weten we dat het om de Messias ben David gaat). Hij zal een heffing ontvangen. Op hem rust de plicht van diverse offers (wat hij dan laat door de Levitische priesters, zie 46:2). Hij is eindverantwoordelijke om te zorgen dat alles gebeurt. Dan staat er in 45:22 dat hij voor zichzelf en het volk een zondoffer moet bereiden (dit vers heeft er voor gezorgd dat sommige (Joodse) uitleggers aan de geldigheid van dit geschrift twijfelen. Hier wordt een afwijkende instructie gegeven voor Pesach als er in de Thora gegeven wordt. Anderen zeggen dat het ene het andere niet hoeft uit te sluiten). Ook in 46:4-7 en 12-13 wordt er beschreven dat de vorst ook nog andere offers zal brengen, in vuur opgaande offers, spijsoffers, bakoffers en vredeoffers. Hij laat dat de priesters doen (46:2). Verder wordt er een aantal gedragsregels gegeven voor de vorst. Ook wordt er beschreven dat de vorst zonen zal hebben.
Ezech 48: 21 Het overige echter is voor de vorst: het gebied aan weerszijden van de heilige heffing en het bezit der stad, langs de vijfentwintigduizend el van de heffing tot aan de oostgrens, en westwaarts langs de vijfentwintigduizend el tot aan de westgrens, evenwijdig aan de stamgebieden, zal voor de vorst zijn. En de heilige heffing en het heiligdom van het huis zullen in het midden daarvan zijn. 22 Uitgezonderd het bezit der Levieten en het bezit der stad, die liggen tussen wat van de vorst is, zal wat tussen de grens van Juda en die van Benjamin ligt, voor de vorst zijn.
In deze teksten wordt een beschrijving gegeven van het gebied wat de vorst krijgt. Dit weer in tegenstelling tot voorgaande vorsten die zichzelf ten koste van het volk verrijkte (zie ook weer Ezech. 22:6)
Hos. 3:4 Want vele dagen zullen de Israëlieten blijven zitten zonder koning en zonder vorst, zonder offer en zonder gewijde steen, zonder efod of terafim. 5 Daarna zullen de Israëlieten zich bekeren, en de Eeuwige, hun God, zoeken, en David, hun koning, en bevende komen tot de Eeuwige en tot zijn heil, in de dagen der toekomst.
Hier wordt beschreven dat Israël vele jaren zonder koning en vorst zal zitten tot de tijd van de Messias ben David. Ten tijde van de Messias ben David zullen er ook weer offers gebracht worden. Zal de efod en de terafim ook weer gebruikt worden en de Israëlieten zullen zich bekeren tot de Eeuwige hun G’d.
Amos 9:11 Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds, 12 opdat zij beërven de rest van Edom en van al de volken over wie mijn naam is uitgeroepen, luidt het woord van de Eeuwige, die dit doet. 13 Zie, de dagen komen, luidt het woord van de Eeuwige, dat de ploeger zich aansluit bij de maaier en de druiventreder bij hem die het zaad strooit; dan zullen de bergen druipen van jonge wijn en al de heuvelen daarvan overvloeien. 14 Ik zal een keer brengen in het lot van mijn volk Israël: verwoeste steden zullen zij herbouwen en bewonen; wijngaarden zullen zij planten en de wijn ervan drinken; boomgaarden zullen zij aanleggen en de vrucht daarvan eten. 15 Dan zal Ik hen planten in hun grond, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit de grond die Ik hun gegeven heb, zegt de Eeuwige, uw God.
De vervallen hut van David is een verwijzing naar het koningschap van het huis van David. De Messias ben David is koning in de lijn van dat huis. Het koningschap van het huis van David zal zijn volheid beleven als er een keer is in het lot van Israël, als de verwoeste steden weer herbouwd worden en de wijngaarden weer gepland worden en het volk niet meer uit het land Israël gerukt zal worden.
Zach. 3: 6 Hierop vermaande de Engel van de Eeuwige Jozua: 7 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Indien gij in mijn wegen wandelt en de door Mij opgedragen taak waarneemt, dan zult gij zowel mijn huis richten als mijn voorhoven bewaken, en Ik zal u doen verkeren onder hen die hier staan. 8 Hoor toch, gij hogepriester Jozua, gij en uw gezellen die voor u zitten (zij zijn immers mannen die ten wonderteken dienen) voorwaar, zie, Ik zal mijn knecht, de Spruit, doen komen; 9 voorwaar zie, van de steen die Ik voor Jozua neerleg (op die ene steen zijn zeven ogen) zal Ik zelf het graveersel graveren, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, en Ik zal op een dag de ongerechtigheid van dit land wegdoen. 10 Te dien dage, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, zult gij elkander nodigen onder de wijnstok en onder de vijgeboom. 4:1 De engel die met mij sprak, kwam terug en wekte mij zoals men iemand uit de slaap wekt. 2 Hij zeide tot mij: Wat ziet gij? Daarop antwoordde ik: Ik zie daar een kandelaar, geheel van goud, met een oliehouder aan zijn top; hij heeft zeven lampen, en telkens zeven toevoerbuizen voor de lampen erbovenop; 3 en twee olijfbomen steken boven hem uit, de ene rechts en de andere links van de oliehouder. 4 Ik hernam en vroeg de engel die met mij sprak: Wat betekent dit, mijn heer? 5 Toen gaf de engel die met mij sprak, mij ten antwoord: Weet gij niet, wat dit betekent? Ik zeide: Neen, mijn heer. 6 Hij antwoordde mij: Dit is het woord van de Eeuwige tot Zerubbabel: niet door kracht noch geweld, maar door mijn Geest! zegt de Eeuwige der heerscharen. 7 Wie zijt gij, grote berg? Voor het aangezicht van Zerubbabel wordt gij een vlakte; hij zal de gevelsteen naar voren brengen onder het gejubel: heil, heil zij hem! 8 En het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 9 De handen van Zerubbabel hebben dit huis gegrondvest, zijn handen zullen het ook voltooien, en gij zult weten, dat de Eeuwige der heerscharen mij tot u gezonden heeft. 10 Want wie veracht de dag der kleine dingen? Zij zullen zich verblijden, als zij het paslood zien in de hand van Zerubbabel. Deze zeven zijn de ogen van de Eeuwige, die de ganse aarde doorlopen. 11 Ik nam het woord en vroeg hem: Wat betekenen deze twee olijfbomen rechts en links van de kandelaar? 12 Andermaal nam ik het woord en vroeg hem: Wat betekenen de twee olijftakken, die door twee gouden buizen het goud van zich doen uitvloeien? 13 En hij zeide tot mij: Weet gij niet, wat zij betekenen? Ik antwoordde: Neen mijn heer. 14 Toen zeide hij: Zij zijn de twee messiassen die voor de Here der ganse aarde staan.
In 3:8 wordt er gesproken over de Spruit die uit zal komen. In de eerste plaats ziet dat op Zerubbabel (komt uit de geslachtslijn van David). Verder verwijst het naar de komende Messias. In wat de Messias doet gaat het uiteindelijk erom dat het einddoel bereikt wordt. Er kunnen, in theorie, ondertussen veel gezalfden/messiassen een taak hebben totdat het uiteindelijke doel is bereikt.
Zach. 6:9 Het woord van de Eeuwige kwam tot mij: 10 Neem gaven van de weggevoerden, van Cheldai, van Tobia en van Jedaja, en gij, kom nog heden, kom in het huis van Josia, de zoon van Sefanja, waar zij, uit Babel komende, hun intrek genomen hebben. 11 Neem dan zilver en goud en maak een kroon en zet die op het hoofd van de hogepriester Jozua, de zoon van Josadak, 12 en zeg tot hem: Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: zie, een man, wiens naam is Spruit. Deze zal uit zijn plaats uitspruiten en hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen. 13 Ja, hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen en hij zal met majesteit bekleed zijn en als heerser zitten op zijn troon; en hij zal priester zijn op zijn troon; heilzaam overleg zal er tussen hen beiden zijn. 14 En de kroon zal tot gedachtenis aan Chelem, Tobia, Jedaja en Chen, de zoon van Sefanja, in de tempel van de Eeuwige blijven. 15 Die verre zijn, zullen aan de tempel van de Eeuwige komen bouwen en gij zult weten, dat de Eeuwige der heerscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij aandachtig luistert naar de stem van de Eeuwige, uw God…….8: 20 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: Wederom zullen er volken komen en inwoners van vele steden, 21 en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere, en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst van de Eeuwige af te smeken en om de Eeuwige der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan. 22 Ja, vele natien en machtige volken zullen komen om de Eeuwige der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst van de Eeuwige af te smeken. 23 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.
In vers 12 wordt de Spruit genoemd wat een verwijzing is naar de Messias (zie ook de teksten in Ezechiël). Er wordt hier gezegd dat hij de tempel zal bouwen. Kan in de eerste plaats ook een verwijzing zijn naar Zerubabel. Het is echter ook een verwijzing naar de Messias en de Messiaanse tijd. Tussen de Messias en de Hogepriester zal ‘heilzaam’. In hoofdstuk 8 wordt er gesproken over de tijd dat volken naar Jeruzalem zullen komen om van de Eeuwige ‘Zijn gunst af te smeken’. In die tijd zullen mensen de slip van de mantel van een Joodse man vastgrijpen (waar de tsietsiet aan zit die wijst op het onderhouden van de Thora (Num.15:38)) en zich bij hem aansluiten omdat gezien wordt dat God met hem is. Dit ziet op het aansluiten van het mensen uit de volken bij het Joodse volk. Deze gebeurtenissen hebben niet ten tijde van de 2e tempel plaats gevonden en moeten dus nog gebeuren.
Zach. 9:9 Jubel luide, gij dochter van Sion; juich, gij dochter van Jeruzalem! Zie, uw koning komt tot u, hij is rechtvaardig en zegevierend, nederig, en rijdende op een ezel, op een ezelshengst, een ezelinnejong. 10 Dan zal Ik de wagens uit Efraim en de paarden uit Jeruzalem tenietdoen, ook de strijdboog wordt tenietgedaan; en hij zal de volken vrede verkondigen, en zijn heerschappij zal zich uitstrekken van zee tot zee, en van de Rivier tot de einden der aarde. 11 Ook laat Ik ter wille van uw eigen verbondsbloed de gevangenen onder u vrij uit de put, waarin geen water is. 12 Keert terug naar de burcht, gij gevangenen, die hoop moogt koesteren; nog heden verkondig Ik: dubbel zal Ik u vergelding doen. 13 Want Ik span Mij Juda, op de boog leg Ik Efraim, en wek uw kinderen, o Sion, op tegen uw kinderen, o Griekenland, en maak u als het zwaard van een held. 14 Dan zal de Eeuwige hun verschijnen, en zijn pijl zal als de bliksem uitschieten, en Adonai de Eeuwige zal de bazuin blazen en optrekken in zuiderstormen. 15 De Eeuwige der heerscharen zal hen beschutten, zodat zij verslinden, ja de slingerstenen vertreden; zij zullen drinken, tieren als van wijn, en vol worden als een sprengbekken, als de hoeken van het altaar. 16 Zo zal de Eeuwige, hun God, hen te dien dage verlossen als de kudde die zijn volk immers is, ja zij zijn kroonjuwelen, die zullen blinken in zijn land.
Hier wordt het beeld geschets van een koning in de lijn van David (ook David en Salomo reden op een ezel). De heerschappij van deze koning zal zich uitstrekken over de hele aarde. Hij zal een wereld heerser zijn. Israël zal in die tijd verlost worden.
Micha 4: 1 En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis van de Eeuwige vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen, 2 en vele natien zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg van de Eeuwige, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en van de Eeuwige woord uit Jeruzalem. 3 En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natien tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. 4 Maar zij zullen zitten, een ieder onder zijn wijnstok en onder zijn vijgeboom, zonder dat iemand hen opschrikt; want de mond van de Eeuwige der heerscharen heeft het gesproken. 5 Want alle volkeren wandelen elk in de naam van zijn god, maar wij zullen wandelen in de naam van de Eeuwige, onze God, voor altoos en immer.
Hier wordt niet over de Messias gesproken maar over de Messiaanse tijd. Volen zullen in die tijd leven in overeenstemming met de Thora. In die tijd zal er daadwerkelijke wereldvrede zijn. De almacht van de Eeuwige zal gezien worden en de onmacht van alle andere goden.
Micha 5:2 En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. 3 Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israëlieten. 4 Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht van de Eeuwige, in de majesteit van de naam van de Eeuwige, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde,5 en Hij zal vrede zijn. Wanneer Assur in ons land komt, en wanneer hij onze paleizen betreedt, dan zullen wij tegen hem zeven herders stellen en acht vorsten uit de mensen, 6 die het land Assur zullen weiden met het zwaard en het land van Nimrod in zijn poorten. En Hij zal bevrijden van Assur, wanneer die in ons land komt en wanneer hij ons gebied betreedt. 7 En het overblijfsel van Jakob zal te midden van vele volkeren zijn als dauw van de Eeuwige, als regenstromen op het groene kruid, dat niet wacht op de mens, noch mensenkinderen verbeidt. 8 En het overblijfsel van Jakob zal zijn onder de natiën, te midden van vele volkeren als een leeuw onder de dieren des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, die, wanneer hij er binnendringt, neerslaat en verscheurt, zonder dat iemand redt. 9 Uw hand zal verheven zijn boven uw tegenstanders, en al uw vijanden zullen worden uitgeroeid. 10 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw strijdwagens zal vernietigen. 11 Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw vestingen afbreken. 12 Ook zal Ik de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen waarzeggers meer hebben. 13 Ik zal uw gesneden beelden en uw gewijde stenen uit uw midden uitroeien, en gij zult u niet meer nederbuigen voor het werk uwer handen. 14 Ook zal Ik uw gewijde palen uit uw midden uitrukken en uw steden verwoesten. 15 En Ik zal in toorn en gramschap wraak oefenen over de volkeren die geen gehoor gegeven hebben.
Hier wordt gesproken over het feit dat de Messias uit het geslacht van David zal voortkomen (dat is de verwijzing naar Bethlehem). Het overblijfsel van Israël zal terugkeren naar het land en in vrede wonen. Er zal echte vrede zijn en er zal geen afgoderij onder het volk Israël meer zijn.
Ps 89: 22 geen vijand zal hem overvallen, geen booswicht zal hem verdrukken; 23 ja, Ik zal zijn tegenstanders voor zijn aangezicht verpletteren, wie hem haten, zal Ik verslaan. 24 Maar mijn trouw en mijn goedertierenheid zullen met hem zijn, en door mijn naam zal zijn hoorn verhoogd worden; 25 ook zal Ik zijn hand leggen op de zee, en zijn rechterhand op de stromen. 26 Hij zal tot Mij zeggen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de rots van mijn heil. 27 Ja, Ik zal hem tot een eerstgeborene stellen, tot de hoogste van de koningen der aarde. 28 Voor altoos zal Ik jegens hem mijn goedertierenheid bewaren en mijn verbond zal voor hem vast blijven; 29 zijn nakroost zal Ik voor immer doen voortbestaan, en zijn troon als de dagen des hemels. 30 Indien zijn zonen mijn wet verlaten, en niet naar mijn verordeningen wandelen; 31 indien zij mijn inzettingen ontwijden, en mijn geboden niet onderhouden, 32 dan zal Ik hun overtreding met de roede bezoeken, en hun ongerechtigheid met plagen; 33 maar mijn goedertierenheid zal Ik hem niet onthouden, mijn trouw zal Ik niet verloochenen, 34 mijn verbond zal Ik niet ontwijden, noch veranderen wat over mijn lippen gekomen is. 35 Eenmaal heb Ik bij mijn heiligheid gezworen: Hoe zou Ik tegenover David liegen! 36 Zijn nakroost zal voor altoos bestaan, zijn troon zal als de zon voor mij zijn;
Hier wordt gesproken over de nakomeling van David die als hoogste boven alle koningen op aarde zal zijn. Hij zal leven volgens G’ds instructies.
Ps 132:11 De Eeuwige heeft David een dure eed gezworen, waarop Hij niet terugkomt: Een van uw lijfelijke zonen zal Ik op uw troon zetten. 12 Als uw zonen mijn verbond houden en mijn getuigenis, die Ik hun leer, dan zullen ook hun zonen voor immer op uw troon zitten. 13 Want de Eeuwige heeft Sion verkoren, Hij heeft het Zich ter woning begeerd: 14 Dit is mijn rustplaats voor immer, hier zal Ik wonen, want haar heb Ik begeerd. 15 Haar voedsel zal Ik rijkelijk zegenen, haar armen zal Ik met brood verzadigen, 16 haar priesters zal Ik met heil bekleden, haar vromen zullen vrolijk juichen. 17 Daar zal ik voor David een hoorn doen uitspruiten, Ik zal voor mijn gezalfde een lamp bereiden; 18 zijn vijanden zal Ik met schaamte bekleden, maar op hem zal zijn kroon blinken.
De nakomeling van David zal de vijanden verslaan. De Eeuwige zal in die tijd de berg Sion als zijn woonplaats hebben. Ook zullen de priesters hun dienst uitvoeren.
Vanuit al deze teksten kunnen we de volgende ‘profielschets’ halen van de Messias ben David:
> Hij heeft heerschappij over Israël en volken
> Hij is vernietiger van Edom
> Hij heeft fysieke heerschappij, is koning.
> Houdt zich aan de Tthora instructies en leeft hem voor.
> Wordt door dienstknecht van G’d, een profeet gezalfd.
> In zijn tijd zal Juda verlost worden en zal Israël veilig wonen.
> Hij zal de tempel van de Eeuwige bouwen, die temidden van het volk Israël zal staan.
> Op dezelfde manier als koning David zal hij koning zijn.
> Is niet G’d zelf. Leeft als koning David in dienst van G’d.
> Brengt de rest van het volk Israël weer terug naar het land Israël.
> Er zal echte wereldvrede komen (ook onder de dieren). Fysiek verlosser voor degene die zich tot G’d bekeren.
Enkele persoonlijke bedenkingen van Rav Daum over de hoedanigheid van de Messias
Rabbijn Kook (zie pagina Zionisme) had een ongelofelijke liefde voor Eretz Israël. Het idee is dat de mensen het land Israël helpen. Dit idee is tevens een Messiaans idee. Het streven hiernaar is het begin van de ge’oela (de verlossing).
Velen dachten dat dit moment plotseling komt, een soort verkondiger staat op, verklaart dat hij de Messias is, een soort Eliahoe. Dit was eigenlijk het idee van vroeger.
Ge’oela is verbonden met twee begrippen:
Messias.
De Messias is een mens die geïnspireerd is met een G’ddelijke Geest. David is verbonden met het begrip Messias. (Massiah Ben David). De gezalfde, de koning, ook hogepriester. Een soort Chanoeka met zalving om het heel eenvoudig uit te leggen.
Mem, Samech, Chet betekent ‘zalven’.
In Jesaja 9 vinden we een beschrijving van het Messiaanse. Zelfs de natuur gaat veranderen. De mens verandert ook, er zullen geen wapens meer zijn. De Messias is gekoppeld met verlossing. Niet van de zonden, zoals in het christendom. De mens is nooit onfeilbaar, want dan is hij gelijk aan G’d.
In het Jodendom zijn er zondoffers voor de zonden. Ook de hogepriester moet een zondoffer brengen. Dat tonen aan het volk is mooi, want ook hij is niet zonder zonden.
Jesasja 9:
Het volk dat in duisternis ronddoolt ziet een schitterend licht. Zij die in het donker wonen worden door een helder licht beschenen. U hebt het volk weer groot gemaakt, diepe vreugde gaf u het, blijdschap als de vreugde bij de oogst, zij jubelen als bij het verdelen van de buit. Het juk dat op hen drukte, de stok op hun schouder, de zweep van de drijver, u hebt ze verbrijzeld, zoals Midjan destijds. Iedere laars die dreunend stampte en elke mantel waaraan bloed kleeft, ze worden verbrand, een prooi van het vuur. Een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven; de heerschappij rust op zijn schouders. Deze namen zal hij dragen: Wonderbare raadsman, G’ddelijke held, Eeuwige vader, Vredevorst. Groot is zijn heerschappij, aan de vrede zal geen einde komen. Davieds troon en rijk zijn erop gebouwd, ze staan vast, in recht en gerechtigheid, van nu tot in eeuwigheid. Daarvoor zal hij zich beijveren, de Eeuwige Tsevaot.
Waarom Jezus niet de Messias voor het Joodse volk is.
Jezus is een man die zich tegen vele principes van het Jodendom stelt. Hij heeft zichzelf als een soort Messias geproclameerd. Dopen is wel een Joods idee, het idee van het nieuwe, een nieuw hoofdstuk, een nieuwe fase in het leven, een nieuw capitel met water als belangrijk, tastbaar natuurelement. Joden accepteren Jezus niet als de Messias omdat ze niet verlost waren van de Romeinse bezetters. Ook het einde van Jezus kan niet gezien worden als verlossend. ‘Hij kon zichzelf nog niet redden’. Het Jodendom accepteert ook niet dat een mens alle zonden van de wereld op zich kan nemen. Fundamentele dingen als afschaffing van de Sjabbat kan echt niet.
Was Jezus van Joodse kant bezien een grote figuur?
Dit speelt echt geen rol. Jezus bestond wel en hij heeft het Jodendom (zoals Mohammed) negatief beïnvloed.
De hele geschiedenis van missionering en verrijzenis, het goede nieuws verspreiden,… is paganisch (modern heidens).
Wat verstaat men dan wel onder de Massiah?
* Een pax mondial (wereldvrede)
Dit idee is verankerd in Jesaja 4
Jesaja 4: ‘Op die dag zal de Eeuwige het land tot bloei brengen, het zal als een kostbaar sieraad zijn. De rijke vrucht van het land zal elke Jisraëliet die ontkomen is met trots vervullen. Ieder die nog in Tsion is, ieder die in Jeroesjalayim is achtergebleven, zal heilig genoemd worden, alle mensen in Jeroesjalayim die ten leven opgeschreven zijn. Wanneer de Eeuwige het vuil van de Tsions vrouwen heeft weggewassen en het bloed van Jeroesjalayim heeft afgespoeld, door een zuiver oordeel en een zuiverend vuur, dan zal hij boven de plaats waar Tsion ligt en waar men bijeenkomt, een wolk scheppen voor overdag en een lichtend vuur met rook en vlammen voor de nacht. Zijn luister zal alles bedekken, als een hut die schaduw biedt in de hitte van de dag, en beschutting tegen storm en regen’.
* Het volk Israël wordt teruggebracht en het land wordt opgebouwd. (Groen worden, verstedelijking)
Jesaja: ‘Efrajïm en Juda gaan samenwerken om zich te etableren’.
* Visie van de Messiaanse tijd.
Rabbijnen verklaren dat de mens in een tijd van overvloed komt. Er is grote rijkdom. In de Talmoed staat dat kinderen van ‘armoede’ grote geleerden zullen zijn. Rijken houden zich veelal met andere dingen bezig. Er zal dus een tijdperk van materiële overvloed zijn. Geen zorgen voor het naakte leven.
Er is niet het idee dat alle mensen Joden zullen worden. Er is tolerantie naar andere religies, wel is het zo dat het bestaan van 1 G’d door allen erkend zal worden.
In die periode is er ook de weerbeleving van de doden. Er bestaat leven hierna, maar er is zelfs nog meer: de doden zullen wederopstaan. Daarover is reeds veel geschreven:
Het kind met Elia
Het kind met Elisha
Ezechiël 37: ‘Ik werd opnieuw door de hand van de Eeuwige gegrepen. Zijn Geest voerde mij mee en hij zette mij neer in een dal vol beenderen. Ik moest er aan alle kanten omheen lopen, en zo zag ik dat er verspreid over het dal heel wat beenderen lagen, die helemaal waren uitgedroogd. De Eeuwige vroeg mij: ‘Mensenkind, kunnen deze beenderen weer tot leven komen?’ Ik antwoordde: ‘Eeuwige G’d, dat weet u alleen’. Toen zei hij: ‘Profeteer, en zeg tegen deze beenderen: ‘Dorre beenderen, luister naar de woorden van de Eeuwige! Dit zegt de Eeuwige G’d: Beenderen, ik ga jullie adem geven zodat jullie tot leven komen. Ik zal jullie pezen geven, vlees op jullie laten groeien en jullie met huid overtrekken. Ik zal jullie adem geven zodat jullie tot leven komen, en jullie zullen beseffen dat ik de Eeuwige ben’.
Ik profeteerde zoals mij was opgedragen. Zodra ik dat deed hoorde ik een geluid, er klonk een geruis van botten die naar elkaar toe bewogen en zich aaneen voegden. Ik zag pezen zich aanhechten en vlees groeien, ik zag hoe er huid over de botten heen trok, maar ademen deden ze nog niet. Toen zei Hij tegen mij: ‘Profeteer tegen de wind, profeteer mensenkind, en zeg tegen de wind: ‘Dit zegt de Eeuwige G’d: Kom uit de vier windstreken, wind, en blaas in deze doden, zodat ze weer gaan leven’. Ik profeteerde zoals Hij mij gezegd had, en de lichamen werden met adem gevuld. Ze kwamen tot leven en gingen op hun voeten staan: een onafzienbare menigte.
· Er is verder de beschrijving van de oorlog tussen Gog en Magog. Dit
zijn een soort supermachten die tegen elkaar staan. Is dat de Holocaust, is dit de atoomoorlog ? Men weet het niet.
Het idee van de verlossing loopt als een rode draad doorheen de hele geschiedenis van het Jodendom. Altijd zijn er dromers geweest van ge’oela doorheen de lange exils. Een grote relgieuze dromer was Nachmanides, arts, fysicus, grote talenkenner, een Talmoedische geleerde, kabbalist, die leefde rond 1300 in Gerona, Spanje. Hij bracht het idee terug de mitsva te vervullen om in het land Israël te wonen, zelfs voor de tijd dat de Massiah komt. Hij heeft het debat gewonnen met de Joodse apostaat ‘Christiani’, die zich naar de kerk had gewend. Hiervoor kreeg hij een prijs van de koning en is naar het land Israël getrokken. In Israël schreef hij een beroemd commentaar op de Pentateuch. Dat commentaar liep over van de liefde voor het land. Hij schreef dat het een mitsva is overal het Joodse land te bevrijden en te bezetten, ook voor de Messiaanse tijd. Hij spreekt dat er geen ander land is waar G’d zo te voelen is als in Israël. Door de ‘plicht’ naar Israël te gaan wordt Nachamides als de eerste Zionist gezien. Zijn rustplaats is in Israël. Zijn woorden aan zijn leerlingen: ‘als ik sterf, zal je op het graf van mijn moeder een menora zien’, en zo wisten de leerlingen volgens de legende dat de grote meester gestorven was.
Het is tevens een gedachte van een Talmoedisch Rabbijn om niet terug te keren naar het land voor de Messiaanse tijd. Hiervoor baseeert hij zich op ‘Sjier Hasjieriem’. G’d heeft laten zweren zich niet te haasten met de verlossing. Dit staat drie keer geschreven. Hij wilde dat de exils niet te zwaar zouden zijn. Andere volken hebben zich daaraan niet gehouden en is volgens de meeste Rabbijnen het ‘zich niet haasten’ ook niet meer bindend.
Een tweede religieuze dromer was Theodore Herzl. Hij was de tegenpool van Nachmanides, volledig geassimileerd, uit de Habzburger monarchie, was intellectueel, maar kende geen Ievriet. Hij was wel een zeer getalenteerd schrijver. Op foto toont hij zich zeer charismatisch, de ogen en de baard geven een bijna profetische uitstraling. Hij heeft wel zijn bar mitsva gedaan, is met een joodse vrouw getrouwd maar al zijn kinderen zijn gedoopt. De Dreyfus-affaire heeft hem veranderd. Hij heeft gepredikt voor een Joodse staat, maar welk karakter is tot op de dag van vandaag niet opgelost.
De Joodse staat is het begin van de verlossing. Het is een natuurlijk proces dat ook gezien wordt als een voorbode van de komst van de Massiah.
De staat Israël is nu 60 jaar. Dat is een zeer goede reden te vieren, maar er is een hoge prijs betaald met de shoa. Aan deze bloedprijs heeft Herzl toen niet aan gedacht. De volken waren niet bereid de Joodse staat te geven. De shoa en de vernietiging van de tempel zijn niet te vergelijken. Men vraagt niet ‘waar was G’d in de shoa’ maar ‘Waar was de mens’? Ook de Holocaust is verbonden met verlossing. Lijden is een zeer groot begrip. Waar G’d van houdt, gaat Hij proeven en dat is lijden! De mens wordt gespiritualiseerd. Overvloed betekent rijkdom en rijkdom maakt de mens corrupt. Als de mens is in diepte is de kans groot dat hij tesjoeva doet, bezinning en boetedoening.
Voor de dimensies van de shoa zijn geen woorden, het is een uniekheid in negatieve zin.
Was dit de oorlog van Gog en Magog? Alle volken belagen Jeruzalem en zeggen dat het aan hen behoort. Jodendom is elke keer gevestigd geweest door lijden. Dit was zo van Egypte tot de shoa. Het jodendom is er wel gesterkt uit gekomen, gerevitaliseerd. Een kritische noot is dat de kwaliteit van Torah-studie van een groter niveau was.
We leven in de Messiaanse tijd, hiervoor zijn volgende kenmerken:
Ø Een groot deel van de Joden leeft in Israël. (45%)
Ø Er is de Joodse souvereiniteit
Ø Het verlangen terug te keren is nog nooit zo groot geweest.
Ø Er is nog nooit zoveel Torah geleerd als vandaag. (In Israël)
De misjna meldt dat alles zeer duur zal zijn (een grote inflatie), dat er een grote inpertinentie zal zijn van leraar tegen leerling (hoetspa), schoonzus tegen schoonmoeder.
Kan men een goede Jood zijn buiten Israël?
Ja, historisch zijn er twee grote centra:
Israël, Babylon en later dan ook Europa. Het is historisch van belang dat het Jodendom zich niet op één plaats situeert. Joden spreken van in Israël leven als het kan. Als tweede willen ze hun laatste rustplaats in Israël, dan is er vergeving van de zonden. (zo staat geschreven). Het is van belang als levende te komen en niet als dode.
Mijn bestemming
Mijn bestemming, eens zal ik haar kennen
eens zal ik vinden mijn rust
dan vul ik mijn geest met gezang
en hoef ik niet langer gebogen te gaan
Vol van hoop is mijn hart
dat te rechter tijd mijn redding komt
en aanbreekt de dag dat ik oog in oog
zal staan met mijn bestemming
En als tot dit einde te komen
mijn binnenste wanhopen mocht,
van één vonk zal het al stralen
tot een licht op mijn pad.
En vonken zullen volgen
groeien tot een vuur
en als licht zullen ze dagelijks stralen
en lichten en groeien.
En uit die punten van mijn gedachten
die zich zamelen tot kudden
neem ik mijn letters
en die worden tot woorden.
Rav Kook
Samen bewerkt door Rabbijn Ahron Daum en Petra Vanhamme juni 2008
Jesaja 53 De “knecht van de Eeuwige (des HEREN NBG51)”
Wie wordt er bedoeld met de knecht van de Eeuwige in Jesaja 53:11? En wat staat er precies Jesaja 53, wat is de boodschap die Jesaja brengt?.
We bekijken het gedeelte vanuit de Hebreeuwse grondtekst zoals (Orthodoxe) Joden het lezen. Soms zijn er best grote verschillen met de bestaande Nederlandse vertalingen. Natuurlijk kunnen bepaalde woorden meerdere betekenissen hebben. De context laat echter duidelijk zien wat er wordt bedoelt. Je kunt daarom niet zomaar een tekst uit zijn context lichten en er een betekenis aan geven los van de context waar de tekst in staat.
Het gebruik van de term ‘knecht van de Eeuwige’ in de Tenach.
De ‘titel’ knecht (avod / ) van de Eeuwige wordt diverse keren in de Tenach gebruikt;
Voor Avraham, Itschak en Ya’akov (Ex. 32:13), Moshé (Num. 12:7) (Deut. 34:5), Kalev (Num. 14:24), Samuel (1 Sam. 3:10) knecht, David (2 Sam 7:8), Salomo (1 Kon. 3:8) en van het volk Israël (Ps 136: 22) (Jer. 30:10)
Van het volk Israël wordt gezegd dat ze bevrijd zijn van het knechtschap aan Egypte, (bevrijd tot een knecht van de Eeuwige).; Deuteronomium 15:15 Gij zult gedenken, dat gij een dienstknecht () geweest zijt in het land Egypte, en dat de Eeuwige, uw God, u bevrijd heeft; daarom geef ik u heden dit gebod., Exodus 13:3 Toen zeide Mozes tot het volk: Gedenkt deze dag, waarop gij uit Egypte, uit het diensthuis (Mydbe tybm) , gegaan zijt; want met een sterke hand heeft de Eeuwige u daaruit geleid. Daarom mag niets gezuurds gegeten worden.
Betekenis van de term ‘knecht van de Eeuwige’ in Jesaja.
Vanaf hoofdstuk 41 wordt er over de ‘knecht van de Eeuwige gesproken. (tussen haakjes de hoofdstukindelingen in de bijbel waren er oorspronkelijk niet. De christelijke kerk heeft die indeling gemaakt. De hoofdstukken in de boeken waren een opeenvolgend geheel). In dit hoofdstuk wordt direct uitleg gegeven wie er hier met de knecht van de Eeuwige (de knecht des HEREN) in de eerste plaats wordt bedoeld.
Jesaja 41:8 Maar gij, Israël, mijn knecht (), Jakob, die Ik verkoren heb, nakroost van mijn vriend Abraham, 9 gij, die Ik gegrepen heb van de einden der aarde en geroepen uit haar uithoeken, tot wie Ik zeide: Gij zijt mijn knecht (), Ik heb u verkoren en u niet versmaad;
In Jesaja 49 wordt de term gebruikt om Jesaja mee aan te duiden. Het is duidelijk dat hier met de knecht van de Eeuwige Jesaja i.p.v. Israël wordt bedoeld.
Jesaja 49:5 Maar nu zegt de Eeuwige, die mij (Jesaja) van de moederschoot aan vormde tot zijn knecht (), om Jakob tot Hem terug te brengen en om Israël tot Hem vergaderd te doen worden (en ik werd geëerd in de ogen van de Eeuwige en mijn God was mijn sterkte)
Jesaja noemt zich hier een knecht van de Eeuwige die de taak heeft het volk Israël weer in de wegen van G’d (de Thora) te laten gaan.
In Jesaja 42 kan het naast de betekenis van het volk Israël ook de Messias betekenen. Maar dan zeker niet alleen de Messias maar op de Messias als onderdeel van het volk Israël. De taak van de Messias wordt ook uitgevoerd door het hele volk Israël:
42:1 Zie, mijn knecht, die Ik ondersteun; mijn uitverkorene, in wie Ik een welbehagen heb. Ik heb mijn Geest op hem gelegd: hij zal de volken het recht openbaren. 2 Hij zal niet schreeuwen noch zijn stem verheffen, noch die op de straat doen horen. 3 Het geknakte riet zal hij niet verbreken en de kwijnende vlaspit zal hij niet uitdoven; naar waarheid zal hij het recht openbaren. 4 Hij zal niet kwijnen en niet geknakt worden, tot hij op aarde het recht zal hebben gebracht; en op zijn wetsonderricht zullen de kustlanden wachten.
Het volk Israël is geroepen om een licht voor de natiën te zijn en om de volken de principes van G’d te lere. Jesaja 43:10 Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn. Hier kan het gedeelte ook op de te komen Messias betrekking hebben (tijdens het Messiaanse rijk (Jes. 11:6), dan wel als onderdeel van het Joodse volk. Hij zal het Joodse volk leiden in het onderhouden van de Thora en het leren van de Thora. Het volk Israël heeft de zelfde roeping (voor de natiën als de Messias (zie Jes. 11) ook heeft voor het volk Israël. Het kan hier echter niet alleen op de Messias slaan. Dat maakt vers 42:19 duidelijk:
5 Zo zegt God, de Eeuwige, die de hemel schiep en hem uitspande; die de aarde uitbreidde met alles wat daaruit ontsproot; die aan de mensen die daarop wonen, de adem gaf en de geest aan hen die daarop wandelen: 6 Ik, de Eeuwige, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor een volk, tot een licht der natiën: 7 om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn. 8 Ik ben de Eeuwige, dat is mijn naam, en mijn eer zal Ik aan geen ander geven noch mijn lof aan de gesneden beelden. 9 Het vroegere, zie, het is gekomen, en nieuwe dingen kondig Ik u aan; voordat zij uitspruiten, doe Ik ze u horen. 10 Zingt de Eeuwige een nieuw lied, zijn lof van het einde der aarde, gij die de zee bevaart en haar volheid; gij kustlanden en hun bewoners. 11 Laten de woestijn en haar steden de stem verheffen, de dorpen waar Kedar woont; laten de rotsbewoners jubelen, laten zij van de top der bergen juichen. 12 Laten zij de Eeuwige eer geven en zijn lof in de kustlanden vermelden. 13 De Eeuwige trekt uit als een held; als een krijgsman doet Hij de strijdlust ontbranden; Hij heft de strijdkreet aan, ja schreeuwt die uit; Hij betoont Zich een held tegen zijn vijanden.) 14 Ik heb van oudsher gezwegen, Ik heb gezwegen en Mij ingehouden; nu zal Ik schreeuwen als een barende vrouw; 15 Ik zal snuiven en hijgen tegelijk. Ik zal bergen en heuvels verschroeien en al hun gewas zal Ik doen verdorren; Ik zal rivieren tot land maken en plassen zal Ik doen opdrogen. 16 En Ik zal de blinden leiden op een weg die zij niet kenden; op paden die zij niet kenden, zal Ik hen doen treden; Ik zal de duisternis voor hen uit tot licht maken en de oneffen plaatsen tot een vlakte. Dit zijn de dingen die Ik doen zal en die Ik niet zal nalaten. 17 Zij zullen terugdeinzen en diep beschaamd worden, die op gesneden beelden vertrouwen; die tot gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden. 18 Gij doven, hoort, en gij blinden, slaat uw ogen op om te zien. 19 Wie is er blind dan mijn knecht () en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht () van de Eeuwige?
De knecht van de Eeuwige is geroepen om voor de natiën tot een licht te zijn. Het volk Israël heeft dat in zich. Het wordt echter niet altijd gebruikt waarvoor het moet worden gebruikt, namelijk opdat de volken de Eeuwige als de enige waarachtige G’d zouden en zullen zien. (Zie ook verder Jesaja 53:11). Daarom staat er in vers 19 “Wie is er blind dan mijn knecht en doof als de bode die Ik zend? Wie is er blind als de volmaakte en blind als de knecht van de Eeuwige?” Overduidelijk wordt er hier niet met 'de knecht des Heeren' die blind wordt genoemd, gesproken over de Messias ben David.
De Joden hebben het in zich om de wereld te veranderen en te leren. De vier mensen die het denken van de vorige eeuw het meest hebben beïnvloed zijn Einstein, Freud, Marx en Darwin (alle vier zijn ze joods).
Verder wordt het duidelijk uit de context dat op alle andere plaatsen met de knecht van de Eeuwige het volk Israël wordt bedoeld. Als de betreffende teksten los uit hun context zou halen, zou je een andere betekenis kunnen voorstellen. Echter in het hele verband waarin ze staan laat duidelijk zien hoe het bedoeld is.
Jesaja 43: 9 Alle volken zijn samen vergaderd en de natiën hebben zich verzameld. Wie onder hen kondigt dit aan en doet ons het verleden horen? Laten zij hun getuigen voorbrengen, opdat zij in het gelijk gesteld mogen worden en men het hore en zegge: Het is waarheid. 10 Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht (), die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn.
Ook hier wordt Israël met de knecht bedoeld. In vers 9 zie je eenzelfde woordgebruik als in Jes. 53:1.
Jesaja 44:1 Maar nu, hoor, o Jakob, mijn knecht (), en Israël, die Ik verkoren heb. 2 Zo zegt de Eeuwige, uw Maker en van de moederschoot aan uw Formeerder, die u helpt: Vrees niet, mijn knecht () Ya’akov, en Jesurun, die Ik verkoren heb. ……21 Denk hieraan, Ya’akov; Israël, want gij zijt mijn knecht (); Ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht (), Israël; gij wordt door Mij niet vergeten. …….45:4 Ter wille van mijn knecht () Jakob en van Israël, mijn uitverkorene, riep Ik u bij uw naam, gaf u een erenaam, hoewel gij Mij niet kendet…… 48:20 Trekt uit Babel, ontvlucht de Chaldeeen. Verkondigt het met jubelgeklank, doet dit horen, verbreidt het tot aan het einde der aarde; zegt: De Eeuwige heeft zijn knecht () Jakob verlost. …..49:3 En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken.
Weer wordt de knecht van de Eeuwige waar het in het gedeelte vanaf Jesaja 41 om gaat omschreven; heel duidelijk het volk Israël.
Dan voor het duidelijke overzicht en verband m.b.t. Jesaja 53 beginnen we hier met Jesaja 52:
Jesaja 52: 1 Waak op, waak op, bekleed u met sterkte, Sion; bekleed u met uw pronkgewaden, Jeruzalem, heilige stad. Want geen onbesnedene of onreine zal meer in u komen. 2 Schud het stof van u af, welaan, zet u neder, Jeruzalem; maak de banden van uw hals los, gevangene, dochter Sions. 3 Want zo zegt de Eeuwige: Om niet zijt gij verkocht, zonder geld zult gij worden gelost. 4 Want zo zegt Adonai de Eeuwige: Eertijds trok mijn volk naar Egypte om daar als vreemdeling te vertoeven, en Assur (vijanden van de wereld) heeft het zonder reden onderdrukt. 5 Thans echter, wat vind Ik hier? luidt het woord van de Eeuwige. Want om niet is mijn volk weggevoerd, zijn overheersers maken getier, luidt het woord van de Eeuwige, en voortdurend, de gehele dag, wordt mijn naam gelasterd.
Hier wordt gesproken over Sion (waar ook Israël mee wordt aangeduid wat duidelijk te zien) die zonder reden onderdrukt wordt. Er wordt voorzegd dat geen niet-Jood en/of iemand die volgens de Thorainstructies in een status van 'onreinheid' is in de toekomst de stad en de Tempel zal betreden. Iets soortgelijks wordt ook voorzegd in Ezechiël 44:9 "9 Zo zegt Adonai de Eeuwige: Geen vreemdeling, onbesneden van hart en onbesneden van lichaam, zal mijn heiligdom binnengaan, geen vreemdeling onder de Israelieten."
Zie m.b.t. het zonder reden onderdrukken (vers 4) en het om niet wegvoeren (vers 5) van het volk Israël ook Jes. 53:4 en1. Duidelijk is het dat het hier over het volk Israël gaat (en niet specifiek over de Messias ben David). De volken hadden zelf geen reden om het volk Israël dat allemaal aan te doen.
6 Daarom zal mijn volk te dien dage mijn naam kennen, dat Ik het ben, die spreek: Zie, hier ben Ik. 7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voeten van de vreugdebode, die vrede aankondigt, die goede boodschap brengt, die heil verkondigt, die tot Sion spreekt: Uw God is Koning. 8 Hoor, uw wachters verheffen de stem, zij jubelen tezamen, want met eigen ogen zien zij, hoe de Eeuwige naar Sion wederkeert. 9 Breekt uit in gejuich, jubelt eenparig, puinhopen van Jeruzalem, want de Eeuwige heeft zijn volk getroost, Hij heeft Jeruzalem verlost. 10 De Eeuwige heeft zijn heilige arm ontbloot voor de ogen van alle volken en alle einden der aarde zullen zien het heil van onze God.
Hier komt in naar voren dat het volk Israël (vers 6) verdrukt zou worden. Daar worden ze van bevrijd. In Jesaja 53 wordt door op verder gegaan. Ook de ‘arm van de Eeuwige’ kom je ook weer in hfst 53 tegen. In die gedeelten zie duidelijk het doorlopende element van de profetie waarin duidelijk wordt dat het over het volk Israël gaat.
11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit vandaar; raakt het onreine niet aan, gaat weg uit haar midden, reinigt u, gij die de vaten van de Eeuwige draagt. 12 Want niet overhaast zult gij uittrekken en niet in vlucht heengaan: de Eeuwige immers gaat voor u heen en uw achterhoede is de God van Israël. 13 Zie, mijn knecht zal voorspoedig zijn, hij zal verhoogd, ja, ten hoogste verheven zijn. 14 Zoals velen zich over u ontzet hebben (zozeer misvormd, niet meer menselijk was zijn verschijning, en niet meer als die der mensenkinderen zijn gestalte) 15 zo zal hij vele volken doen opspringen, om hem zullen koningen verstommen, want wat hun niet verteld was, zien zij, en wat zij niet gehoord hadden, vernemen zij.
In vers 11 wordt het volk Israël, om zodra het mogelijk is, opgeroepen de landen te verlaten waarheen ze verstrooid zijn. HaShem (de Eeuwige) zal hen begeleiden als ze dan terug naar Eretz Israel zullen keren.
In vers 13 wordt er over gesproken dat de knecht van de Eeuwige voorspoedig zal zijn en verhoogd zal worden (uit de benarde onderdrukte positie). Ook vers 14 heeft hetzelfde thema en verwijst o.a. naar vers 2-4. Nu op het moment (wat nu beschreven wordt) dat Israël wordt verhoogt zien de koningen/leiders van de naties tot hun schrik wat de feitelijk situatie is en wat ze al die jaren met het volk Israël hebben gedaan. Ze beginnen met verbijstering te spreken. (Zie ook Micha 7:16 “De volken zullen het zien en beschaamd worden, beroofd van al hun kracht; zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen doof worden”.).
Jesaja 53:1 Wie gelooft, wat wij gehoord hebben, en aan wie is de arm van de Eeuwige geopenbaard? 2 Want als een loot schoot hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd.
De arm van de Eeuwige is een terugverwijzing naar 52:10 “De Eeuwige heeft zijn heilige arm ontbloot” en is duidelijk een verwijzing naar de fysieke verlossing van Israël (zie hierboven). In de tijd van de verlossing zal er gezegd worden. door de volken. Wie zou er geloofd hebben dat zo'n vertrapt, gehaat en veracht volk door Gods arm verlost zou worden. Dat werd ook gezegd toen het Joodse volk in slavernij in Egypte was.
In Hos 14:5-8 wordt Israël ook vergeleken met een boom die uitloopt “ 5 Ik zal zijn als de dauw voor Israël, hij zal bloeien als een lelie, en zijn wortelen uitstrekken als de Libanon. Zijn loten zullen uitlopen; zijn pracht zal zijn als die van een olijfboom en zijn geur als die van de Libanon. 7 Zij die in zijn schaduw wonen, zullen weer koren verbouwen. Ja, zij zullen bloeien als een wijnstok, beroemd als de wijn van de Libanon. 8 Efraïm, wat heb Ik nog met de afgoden te doen? (Ik verhoor hem en zie hem aan.) Ik ben als een altijdgroene cypres, aan Mij is uw vrucht te danken.”
3 Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd (gewend aan) met ziekte,
In de geschiedenis van de laatste (2000 jaar) ballingschap was het Joodse volk een geplaagd, vervolgd en veracht volk wat veel onheil over zich heen kreeg. Het kan niet gaan om Jezus want die zou volgens de Christelijke overlevering nooit ziek zijn geweest.
In Jesaja 1:4-7 wordt dit beeld in vers 3 ook al voor het volk Israël gebruikt; “Wee het zondige volk, de natie, beladen met ongerechtigheid, het gebroed van boosdoeners, de verdorven kinderen. Zij hebben de Eeuwige verlaten, de Heilige Israëls versmaad, zich achterwaarts gewend. Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; Van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf; wonden, striemen en verse kwetsuren, die niet uitgedrukt zijn noch verbonden noch met olie verzacht. Uw land is een woestenij; uw steden zijn met vuur verbrand; uw akker, daarvan eten vreemden voor uw ogen: een woestenij, als door vreemden onderstboven gekeerd.” Israël was inderdaad vertrouwd met ziekte en smarten. Zij ondergingen het.
In Jesaja 42:22 wordt er ook al over het volk Israël gesproken als verachtelijk en verlaten "Maar dit is een volk, beroofd en uitgeplunderd; men heeft hen allen in kerkerholen geboeid, in gevangenissen zijn zij weggeborgen; zij werden ten roof en er was geen redder; tot plundering en er was niemand die zeide: Geef terug."
ja, als iemand, voor wie men het gelaat zouden verbergen; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht.
Zie Jes. 49:3, 7,8,13,14 die de inleiding zijn op dit gedeelte ” En Hij zeide tot mij: Gij zijt mijn knecht, Israël, in wie Ik Mij zal verheerlijken….. 7 Zo zegt de Eeuwige, de Verlosser Israëls, zijn Heilige, over hem die veracht is van mensen, over hem wie de natiën heersen, over een knecht van regeerders: Koningen zullen dit zien en opstaan; vorsten, en zich nederbuigen, ter wille van de Eeuwige, die getrouw is, de Heilige Israëls, die u verkoren heeft. 8 Zo zegt de Eeuwige: Ten tijde des welbehagens heb Ik u verhoord, en ten dage des heils heb Ik u geholpen; Ik zal u behoeden en u stellen tot een volk van een verbond om het land weder te herstellen, om verwoeste eigendommen weer tot een erfdeel te maken…… 13 Jubelt, gij hemelen, en juich, gij aarde, breekt uit in gejubel, gij bergen, want de Eeuwige heeft zijn volk getroost en Zich over zijn ellendigen ontfermd. 14 Maar Sion zegt: De Eeuwige heeft mij verlaten en Adonai heeft mij vergeten.” Verder ook Jesaja 54:6,7 “6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Eeuwige geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God.7 Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen;” Beide keren wordt Israël bestempeld als een afzichtelijk iemand (waar G’d weer naar zal omzien zoals we dat ook verder zullen lezen)
4 Maar in waarheid, het waren onze ziekten die hij op zich nam, en onze smarten die hij droeg; maar wij beschouwden hem als een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte.
In Ezech 36:6-9,15 wordt ook gesproken dat Israël de smaad van de volken droeg “ 6 daarom, profeteer over het land van Israël en zeg tot de bergen en de heuvels, tot de beekbeddingen en de dalen: zo zegt Adonai de Eeuwige: zie, Ik spreek in mijn naijver en in mijn grimmigheid: omdat gij de smaad der volken gedragen hebt, 7 daarom, zo zegt Adonai de Eeuwige, zweer Ik: voorwaar, de volken die rondom u wonen, zullen zelf hun smaad dragen. 8 Maar gij, bergen van Israël, zult uw takken voortbrengen en uw vruchten dragen voor mijn volk Israël, want nabij is zijn komst. 9 Want zie, Ik kom bij u en keer Mij tot u, gij zult bewerkt en bezaaid worden….15 Ik zal u de hoon der volken niet meer doen horen, de smaad der natiën zult gij niet meer dragen, en gij zult uw volk niet meer van kinderen beroven, luidt het woord van Adonai de Eeuwige.”
5 Hij werd gepijnigd door/vanwege onze rebelse zonden en onderdrukt door onze ongerechtigheden; de straf op hem was tot onze vrede, en door zijn wonden, werden we genezen. 6 Wij hebben allemaal gedwaald als schapen, en gingen ieder van ons zijn eigen weg, en de Eeuwige liet op hem neerkomen de ongerechtigheid van ons allemaal.
Op dit moment dat de koningen spreken is het lot van Israël gekeerd (daardoor zien de koningen wat zij (en hun volken) hebben gedaan met Israël. G’d heeft de verdrukking van Israël (door de natie) gebruikt om hen te laten bekeren naar G’d. Nu bekeerd naar G’d zullen ze de volken de wegen van G’d gaan leren en zullen ze een licht voor de volken zijn. Dat is tot hun behoud.
7 Hij werd vervolgd en getroffen maar hij deed zijn mond niet open; als een lam dat ter slachting geleid wordt, en als een ooi dat stil is voor zijn scheerders, zo deed hij zijn mond niet open
Het beeld van Israël als schapen ter slachting vindt je ook in Ps 44:12,14-15 en 22 en verder in Zach. 11:11. Psalm 44 “12 Gij hebt ons overgeleverd als slachtvee, ons onder de volken verstrooid..14 Gij hebt ons gesteld tot smaad voor onze naburen, tot spot en hoon voor wie ons omringen; 15 Gij hebt ons tot een spreekwoord onder de volken gesteld, Gij doet de natiën over ons het hoofd schudden.,…22 Waarlijk, om Uwentwil worden wij de ganse dag gedood, wij worden gerekend als slachtschapen”. Zach. 11:11 “Dus werd het te dien dage verbroken; zo hebben de ellendigste onder de schapen, die op mij letten, bemerkt, dat dit een woord van de Eeuwige was”. Tijdens de 'Shoa' (Holocaust) werd het Joodse volk inderdaad als schapen ter slachting de gaskamers in gedreven praktisch zonder dat ze weerstand boden tegen hun onderdrukkers.
8 Nu hij weggenomen is uit verdrukking en gericht, wie kan zo’n generatie zich indenken? Want hij was afgesneden uit het land der levenden, de plaag op hen ( lamo) dat waren de zonden van mijn volk.
Nu Israël verhoogt is uit verdrukking en gericht is hun situatie in ellende bijna niet meer voor te stellen. Het onderstreepte woord hen wordt door (een vooringenomen standpunt door de meeste christelijke vertalers) met hem vertaald. Dat kan het echter absoluut niet betekenen. Lamo betekend hen in plaats van hem. Het gaat dus duidelijk over een groep mensen in plaats van over één persoon. De vertalers vertalen dit woord op alle andere plaatsen trouwens wel gewoon met hen. Zie o.a. Jes. 48:21 “….Hij deed voor hen water uit de rots stromen ….”, Hab. 2:7 “..zodat gij hun worden zult..”, Ps 2:4 “Die in de hemel zetelt, lacht; Adonai spot met hen”.etc. etc.
9 En hij gaf zijn graf aan de goddelozen; en aan de rijken vanwege zijn (manieren van)dood (executies)
Wat de goddelozen (criminelen) en rijken betreft. In die tijd liepen die 2 categorieën dagelijks het gevaar om gedood te worden. De goddelozen van wegen hun daden, de rijken vanwege hun geld. Israël daarvoor echter (ten opzichte van hun verdrukkers) zonder reden. De zin in het hebreeuws kan ook als volgt vertaald worden: Hij (het volk Israël) aanvaarde het om begraven te worden tussen de goddelozen.
want hij deed geen onrecht en er was geen bedrog in zijn mond.
Tegen hun haters, hun vervolgers en hun onderdrukkers hadden ze niets gedaan wat een reden voor de daden van die haters, vervolgers en onderdrukkers zou zijn. In Zefanja 3:12-17 wordt verder ook gesproken over het Israël als rechtvaardige. Ook de ondergane gerichten worden genoemd. “12 En Ik zal in uw midden overlaten een ellendig en gering volk, en wie schuilen bij de naam van de Eeuwige. 13 Het overblijfsel van Israël zal geen onrecht doen noch leugen spreken, en in hun mond zal geen bedrieglijke tong gevonden worden, want zij zullen weiden en nederliggen, zonder dat iemand hen verschrikt. 14 Jubel, dochter van Sion; juich, Israël; verheug u en wees vrolijk van ganser harte, dochter van Jeruzalem! 15 De Eeuwige heeft uw gerichten weggenomen, Hij heeft uw vijand weggevaagd. De Koning Israëls, de Eeuwige, is in uw midden; gij zult geen kwaad meer vrezen. 16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet, Sion, laten uw handen niet slap worden. 17 De Eeuwige, uw God, is in uw midden, een held, die verlost. Hij zal Zich over u met vreugde verblijden; Hij zal zwijgen in zijn liefde; Hij zal over u juichen met gejubel.”
10 De Eeuwige wilde hem verbrijzelen en Hij maakte hem ziek;
Hier wordt de reden van de oordelen van uit G’ds kant bezien. G’d wilde hen tot inkeer laten komen ten op zichte van Hem (dat gaf overgens de vervolgers nog geen vrijbrief om hun daden uit te voeren. G’d heeft het in die zin tijdelijk toegelaten om het volk Israël tot inkeer te brengen. Het volk heeft trouwens zelf hun straf gedragen zoals dat staat in Jes. 40: 1,2 “ Troost, troost mijn volk, zegt uw God.2 Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe, dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand van de Eeuwige dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden”. Ja zelfs meer dan dat (vanwege de goddeloosheid van de volken)
als zijn ziel schuld zou bekennen,
Als is een voorwaarde. Het Hebreeuwse woord ‘im’ (Ma)wordt echt bedoeld om een voorwaarde weer te geven. Hier wordt gesproken dat de voorwaarde van herstel de belijdenis van zonde (en bekering) was. Zie Jesaja 1:18-20 “18 Komt toch en laat ons tezamen richten, zegt de Eeuwige; al waren uw zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw; al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.19 Als gij gewillig zijt en luistert, zult gij het goede des lands eten; 20 maar als gij weigert en weerspannig zijt, zult gij door het zwaard worden verteerd, want de mond van de Eeuwige heeft het gesproken.
zou hij nakomelingen (fysieke kinderen /zera zien en een lang leven hebben
Het Hebreeuwse woord wat hier voor nakomelingen wordt gebruikt ‘tzera’ () kan alleen fysieke nakomelingen betekenen. Anders zou het woord ‘Bnei’ (ynb) worden gebruikt. Bij de geschiedenis van Avraham komt dat duidelijk naar voren als G’d zegt dat niet Eliezer (zijn geestelijke nakomeling) maar een fysieke zoon zal erven.Zie Genesis 13:15 want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht (/zera) voor altoos geven. 16 En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn.) Gen.15:3-63 En Avram zeide: Zie, mij hebt Gij geen nakroost (/zera) gegeven, en nu moet een onderhorige mijn erfgenaam/zoon ‘Ben’ (nb) zijn. 4 En zie, het woord van de Eeuwige kwam tot hem: Deze zal uw erfgenaam niet zijn, maar uw lijfelijke zoon, die zal uw erfgenaam zijn.)
en de wil van de Eeuwige zal door zijn hand voortgang hebben
Zie Deut.30:8-10,19-20 “8 Gij zult weer naar de stem van de Eeuwige luisteren en al zijn geboden volbrengen, die ik u heden opleg.9 De Eeuwige, uw God, zal u in overvloed het goede schenken bij al het werk uwer handen, in de vrucht van uw schoot, in de vrucht van uw vee, in de vrucht van uw bodem, want de Eeuwige zal weer behagen in u hebben, u ten goede, zoals Hij behagen had in uw vaderen,10 wanneer gij naar de stem van de Eeuwige, uw God, luistert door zijn geboden en inzettingen te onderhouden, die in dit wetboek geschreven staan; wanneer gij u tot de Eeuwige, uw God, bekeert met geheel uw hart en met geheel uw ziel….. 19 Ik neem heden de hemel en de aarde tegen u tot getuigen; het leven en de dood stel ik u voor, de zegen en de vloek; kies dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw nageslacht, 20 door de Eeuwige, uw God, lief te hebben, naar zijn stem te luisteren en Hem aan te hangen, want dat is uw leven en waarborg voor een langdurig wonen in het land, waarvan de Eeuwige uw vaderen, Avraham, Itschak en Ya’akov, gezworen heeft, dat Hij het hun geven zou. “. Zie ook het volgende vers waarin gesproken wordt dat Israël velen tot rechtvaardigheid zal brengen. Verder Ex.19:5,6 5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult.
11 Hij zou zien (het doel) en tevreden zijn met zijn zielennood. Door zijn kennis zal mijn knecht (()), de rechtvaardige, velen tot rechtvaardigheid brengen
Nu op dit moment (dat Israël weer verhoogt is) zien ze het doel van de oordelen en tevreden zijn omdat het hun teruggedreven heeft naar G’d. Tussen haakjes : er staat hier ‘door zijn kennis’ (en niet door zijn bloed). Nu komen ze toe aan hun taak: Het zijn van licht voor de volken, het zijn van Zijn getuigen die het wetsondericht (onderwijzen van de Thora) aan de volken zullen geven (Jes. 42:1-4 (zie boven)) Jesaja 43:10 Gij zijt, luidt het woord van de Eeuwige, mijn getuigen, en mijn knecht, die Ik verkoren heb, opdat gij het weet en in Mij gelooft en inziet, dat Ik dezelfde ben; voor Mij is er geen God geformeerd en na Mij zal er geen zijn 11 Ik, Ik ben de Eeuwige, en buiten Mij is er geen Verlosser. 12 Ik heb verkondigd, verlost en doen horen, en ben geen vreemde onder u; gij toch zijt mijn getuigen, luidt het woord van de Eeuwige, en Ik ben God. Jesaja 44:8 Weest niet verschrikt en vreest niet. Heb Ik het u niet van oudsher doen horen en verkondigd? Gij zijt mijn getuigen: is er een God buiten Mij? Er is geen andere Rots, Ik ken er geen. Zach. 8: 23 Zo zegt de Eeuwige der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is.
en hun ongerechtigheden zou hij dragen. 12 Daarom zal Ik hem een deel geven onder velen en hij zal van de machtigen buit verdelen omdat hij zijn ziel heeft uitgestort in de dood, en werd geteld onder de goddelozen, en hij de zonden van velen gedragen heeft en hij voor de goddelozen gebeden heeft
Zie ook nu Ezech 34:27, 29-30 “27 het geboomte des velds zal zijn vrucht geven en het land zijn opbrengst. Veilig zullen zij in hun land leven. En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige ben, wanneer Ik de stangen van hun juk verbreek en hen bevrijd uit de macht van wie hen knechten….29 Ik zal voor hen een plantengroei doen opschieten, waarvan men overal spreekt, zodat niemand in het land meer door honger zal worden weggerukt en zij de smaad der volken niet langer te dragen hebben. 30 En zij zullen weten, dat Ik de Eeuwige, hun God, met hen ben, en dat zij, het huis Israëls, mijn volk zijn, luidt het woord van Adonai de Eeuwige” . Verder bidden de joden dagelijks voor hun vijanden. Zie het joodse gebedenboek.
Jesaja 54:1 Jubel, gij onvruchtbare, die niet gebaard hebt; breek uit in gejubel en juich, gij die geen weeën gekend hebt, want de kinderen der eenzame zijn talrijker dan de kinderen der gehuwde, zegt de Eeuwige. 2 Maak de plaats voor uw tent wijd, en men spanne de kleden uwer woningen uit, wees er niet karig mee, maak uw touwen lang en sla uw pinnen vast. 3 Want naar rechts en links zult gij uitbreiden en uw nageslacht zal de volken in bezit nemen en de verwoeste steden bevolken. 4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. 5 Want uw man is uw Maker, Eeuwige der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. 6 Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de Eeuwige geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd, zegt uw God. 7 Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; 8 in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de Eeuwige.
Ook met deze aansluitende teksten komt het duidelijk naar voren dat het niet om 1 persoon gaat maar om het volk Israël als knecht van de Eeuwige die geleden heeft (54:7). Natuurlijk daar vallen de Messiassen daar ook onder als onderdeel van hun volk. Ze behoren immers ook tot het Joodse volk. Binnen het joods denken zijn er 2 Messiasbeelden. De Messias ben David en de Messias ben Jozef. Deze moet je niet met elkaar verwarren. De Messias ben Joseph wordt meer bedoeld als volk die door G’d voor een bepaalde bediening is geroepen. Meerdere personen kunnen bijvoorbeeld een Messias ben Joseph zijn. Alle personen die onrechtvaardig lijden / en of sterven worden als een Messias ben Joseph gezien. Dat is echter heel iets anders dan de Messias ben David die als persoon een bepaalde eigen roeping heeft. Soms worden deze termen (in de christelijke theologie) zomaar gebruikt zonder de achtergrond en betekenis van deze namen (binnen het Joodse denken) te bekijken. Dan kom je tot oneigenlijke conclusies.
Dan verder het gedeelte uit Jes. 54 waar verder over de knecht van de Eeuwige wordt gesproken en waarin duidelijk te zien is dat er het volk Israël mee bedoeld wordt.
9 Dit is Mij als in de dagen van Noach: zoals Ik gezworen heb, dat de wateren van Noach niet meer over de aarde zouden komen, zo heb Ik gezworen, dat Ik niet meer toornig op u zal zijn noch u zal dreigen. 10 Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de Eeuwige. 11 Gij, ellendige, door storm voortgedrevene, ongetrooste, zie, Ik leg uw stenen in blinkend erts, Ik grondvest u op lazuurstenen, 12 Ik maak uw tinnen van robijnen, uw poorten van karbonkelstenen en uw gehele omwalling van edelsteen. 13 Al uw zonen zullen leerlingen van de Eeuwige zijn, en het heil uwer zonen zal groot zijn; 14 door gerechtigheid zult gij bevestigd worden. Weet u verre van onderdrukking, want gij hebt niet te vrezen, en van verschrikking, want zij zal tot u niet naderen. 15 Valt men heftig aan, dan gaat dat van Mij niet uit; wie u aanvalt, zal over u vallen. 16 Zie, Ik ben het, die de smid geschapen heb, welke het kolenvuur aanblaast en naar zijn kunst het wapen vervaardigt, maar Ik ben het ook, die de verderver geschapen heb om te vernielen. 17 Elk wapen dat tegen u gesmeed wordt, zal niets uitrichten, en elke tong die zich voor het gericht tegen u keert, zult gij in het ongelijk stellen. Dit is het deel van de knechten van de Eeuwige en hun recht van Mijnentwege, luidt het woord van de Eeuwige.
Zoals we reeds zagen wordt het volk Israël ook wel de knecht van de Eeuwige genoemd. Daarnaast wordt het volk Israël in de Tenach ook de (eerstgeboren) zoon van G’d genoemd. Ex 4: 22 Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Eeuwige: Israël is mijn eerstgeboren zoon; 23 daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene;
Hos. 11:1 Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. 2 Hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden zij weg: aan de Baals offerden zij en aan de gesneden beelden brachten zij reukoffers. 3 En Ik leerde Efraïm lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij erkenden niet dat Ik hen genas. 4 Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten. 5 Zal hij niet naar het land Egypte terugkeren? Ja, Assur zal zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren.
Verder wordt Salomo (als onderdeel van zijn volk) genoemd dat hij is als een zoon voor G’d (die de fysieke tempel zal bouwen). Een zoon van G’d is iemand die de wil van G’d uitvoert. 2 Sam. 7:12 Wanneer uw dagen vervuld zijn en gij bij uw vaderen te ruste zijt gegaan, dan zal Ik uw nakomeling, uw eigen zoon, na u doen optreden, en Ik zal zijn koningschap bevestigen. 13 Die zal mijn naam een huis bouwen, en Ik zal zijn koninklijke troon voor immer bevestigen. 14 Ik zal hem tot een vader zijn, en hij zal Mij tot een zoon zijn.
Tanach, Stone Editie, Hebreeuwse Tanach met Engelse vertaling
Lets get Biblical; Rabbijn Tovia Singer
The Real Messiah; Rabbijn Aryeh Kaplan
The Jew and the Christian Missionary: A Jewish response to missionary Christianity; Gerald Sigal
The Torah Anthology Yalkut Me'am Lo'ez, The book of Yeshayahu Rabbijn Shmuel Yerushalmi
‘Verborgen’ Messias teksten:
Hier volgt een aantal teksten (er zijn er in totaal zo’n 328) die door sommigen als Messiaans worden beschouwd op de een of andere manier. Dit wordt zo gezien met behulp van systematische theologie. Dat wil zeggen dat er vanuit een bepaald gegeven en een bepaalde stelling achteraf teksten in het Oude Testament gezocht zijn die deze stelling lijken te onderbouwen. Zelfs de vertalers van het Oude Testament zijn bij het vertalen soms zo te werk gegaan zo vinden de Orthodoxe Joden. Als je de teksten in hun verband gaat bekijken kom je tot heel andere conclusies zo vinden wij.
Een cursus Hebreeuws zou in dit kader ook heel zinvol te zijn om zelf met eigen ogen de grondtekst te lezen en zo ook de vertaalfouten te zien. Ben je nog niet zover dan helpt het al om een aantal vertalingen naast elkaar te zetten. Neem dan ook eens een Joodse vertaling, bijv. de Artscroll Tanach ISBN: 1-57819-109-2 (eenvoudig te bestellen via Artscroll http://www.artscroll.com/stonetanach.html of via Samech boeken in Amsterdam (020-6421424). Het is een Hebreeuws/Engelse Bijbel met korte verklaringen.
We bekijken de teksten en kijken gewoon wat er staat in en vanuit de context in de Hebreeuwse grondtekst. Het belangrijkste wat je erin zal zien is dat sommige teksten in hun context (in het Hebreeuws) een heel andere betekenis kunnen hebben dat wat je altijd wellicht veronderstelt hebt. Daar moet je rekening mee houden en voor open staan als je de teksten gaat bekijken.
Dit is een verslag van een studie die een aantal bijbelgetrouwe gelovigen met elkaar hebben gedaan. Met verschillende (tegenover elkaar staande) visies zijn we begonnen open naar de teksten te kijken, zoekend naar Gods waarheid.
Gen. 1:26a En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis.
Deze tekst wordt door sommigen gezien als bewijs voor een drie-eenheid van G’d omdat er gesproken wordt over ons. Dit is echter een veronderstelling want het kan, evenals in de hierbij volgende teksten ten eerste slaan de Eeuwige die tezamen met behulp van de engelen het scheppingswerk deed. Zie 1 Kon. 22:19 “Ik zag de Eeuwige op zijn troon zitten, terwijl het ganse heer des hemels aan zijn rechterhand en aan zijn linkerhand stond”, Jes. 6:1,2,8 “In het sterfjaar van koning Uzzia zag ik de Here zitten op een hoge en verheven troon en zijn zomen vulden de tempel. 2 Serafs stonden boven Hem; ieder had zes vleugels: met twee bedekte hij zijn aangezicht, met twee bedekte hij zijn voeten en met twee vloog hij….8 Daarop hoorde ik de stem des Heren, die zeide: Wie zal Ik zenden en wie zal voor Ons gaan? En ik zeide: Hier ben ik, zend mij.” En verder Job 1:6 en Job 15:8. Er wordt trouwens verder gewoon enkelvoud gebruikt als het over het scheppen gaat (27 “En God schiep de mens naar zijn beeld”). Als tweede kan het ook het ‘koninklijk’ meervoud aanduiden zoals ook onze koningin dat gebruikt. Kortom: Het vers is zeker geen ontegenzeggelijk bewijs voor een meer-eenheid. Daarentegen staat er juist: Deut. 6:4 “Hoor, Israël: de Eeuwige is onze God; de Eeuwige is één!
Gen 22:13, 14 Toen sloeg Avraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Avraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En Avraham noemde die plaats: De Eeuwige zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg van de Eeuwige zal erin voorzien worden..
Door sommigen wordt vertaald. ‘Op de berg des Heren zal er in voorzien worden wijzend op de dood van Jezus. Dat kan echter zo nooit bedoeld zijn want Jezus is niet gekruisigd op de berg Sion maar op Golgotha, buiten de stad. En een offer is volgens Leviticus 1-6 alleen ‘geldig’ om G’d te naderen als het op de juiste plaats geslacht wordt en het bloed op de juiste manie gesprenkeld wordt. Er staat beter vertaald zoiets als: En Avraham noemde de naam dier plaats: de Eeuwige voorziet; waarvan heden gezegd wordt: op den berg des Eeuwigen verschijnt Hij (zal het gezien worden). Het komt neer op: de Eeuwige zal verkiezen, en voor Zich uitzien naar deze plaats, om daar Zijne goddelijke majesteit te doen rusten en om daar offers te doen brengen; zodat men in de tijd van de Tempel daarvan zeggen zal: op die berg zal de Eeuwige verschijnen aan Zijn volk. Je kan het ook zo lezen: Op de berg van de Eeuwige zal gezien worden dat er een dier in plaats van een mens geofferd wordt. De Eeuwige zal deze offerande gebruiken, om elk jaar Israël te vergeven en hen te redden van de straffen. Grote verzoendag. Let wel m.b.t. Grote Verzoendag; De dag zelf heeft verzoening in zich (ook als er niet geofferd kan worden doordat de tempel er niet is). Verder gelden de Thora-instructies voor eeuwig dus ook de instructies voor Grote verzoendag en de betreffende offeranden. Een voorzegging voor de dood van de Messias kan deze tekst dus niet genoemd worden. Ook niet vanuit de context.
Ps. 22: 13 zij sperren hun muil tegen mij open; een verscheurende, brullende leeuw.14 Als water ben ik uitgestort en al mijn beenderen zijn ontwricht; mijn hart is geworden als was, het is gesmolten in mijn binnenste; 15 verdroogd als een scherf is mijn kracht, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte; in het stof des doods legt Gij mij neer. 16 Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren. 17 Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij. 18 Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad.
Letterlijk staat er in vers 16 echter: “Want honden hebben mij omsingeld en een bende kwaaddoeners hebben mij omsloten, als een leeuw zijn ze op mijn handen en voeten. De meeste niet-joodse vertalers vertalen het woord “ca’ari” met doorboren (vanuit een christelijke interpretatie) wellicht omdat Mattheus vers 18 een voorzegging van Jezus noemt. Het woord caari met doorboren te vertalen is echter echt fout. Op alle andere plaatsen in het Oude Testament waar dit woord ook word gebruikt wordt het inderdaad juist (met leeuw) vertaald. Zie o.a. Ps 17:12 “Hij gelijkt op een leeuw die begeert te verscheuren, en op een jonge leeuw, in een schuilhoek gedoken.” en Ps 35:17 “Hoelang, Here, zult Gij toezien? Verlos toch mijn ziel van hun verwoestingen, mijn eenzame, van de jonge leeuwen.” Nogmaals spreekt ook deze tekst (op de juiste manier vertaald) in zijn context duidelijk over David die door vijanden vervolgd wordt en niet over de Messias die moe(s)t komen.
Jesaja 7: 1 Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, de zoon van Jotam, de zoon van Uzzia, de koning van Juda, dat Resin, de koning van Aram, met Pekach, de zoon van Remaljahu, de koning van Israel, tegen Jeruzalem ten strijde trok; maar hij kon in de strijd daartegen de overhand niet behalen. 2 Toen men het koningshuis van David berichtte: Aram is neergestreken op Efraim, beefde zijn hart en ook het hart van zijn volk, zoals de bomen van het woud beven voor de wind. 3 Toen zeide de Eeuwige tot Jesaja: Ga Achaz tegemoet, gij en uw zoon Sear-jasub naar het einde van de waterleiding van de bovenste vijver, naar de weg van het Vollersveld, 4 en zeg tot hem: tracht rustig te blijven, vrees niet, uw hart versage niet voor deze twee rokende stompen brandhout: voor de brandende toorn van Resin en Aram en de zoon van Remaljahu. 5 Omdat Aram kwaad tegen u beraamd heeft, Efraim en de zoon van Remaljahu, door te zeggen: 6 Wij zullen optrekken tegen Juda, het schrik aanjagen, het voor ons veroveren en de zoon van Tabeal daarin koning maken; 7 zegt de Here Here aldus: Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden; 8 maar Damascus blijft het hoofd van Aram en het hoofd van Damascus blijft Resin (binnen nog vijfenzestig jaar zal Efraim verbroken worden, zodat het geen volk meer is) 9 en Samaria blijft het hoofd van Efraim en het hoofd van Samaria blijft de zoon van Remaljahu. Indien gij niet gelooft, voorwaar, gij wordt niet bevestigd. 10 En de Eeuwige ging voort tot Achaz te spreken: 11 Vraag voor u een teken van de Eeuwige, uw God, diep in het dodenrijk of boven in den hoge.12 Maar Achaz zeide: Ik zal er geen vragen, en de Eeuwige niet verzoeken.13 Toen zeide hij: Hoort toch, gij huis van David! Is het u niet genoeg mensen te vermoeien, dat gij ook mijn God vermoeit? 14 Daarom zal de Here zelf u een teken geven: Zie, de jonkvrouw zal zwanger worden en een zoon baren; en zij zal hem de naam Immanuel geven. 15 Boter en honig zal hij eten, zodra hij het kwade weet te verwerpen en het goede te verkiezen. 16 Maar voordat de jongen weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen, zal het land ontvolkt zijn, voor welks beide koningen gij angstig zijt. 17 De Eeuwige zal over u, over uw volk en over uws vaders huis dagen doen aanbreken, zoals er niet aangebroken zijn sedert de dag, dat Efraim zich van Juda afscheidde, de koning van Assur! 18 En het zal te dien dage geschieden, dat de Eeuwige de vliegen aan het einde van de Egyptische Nijlarmen en de bijen in het land Assur tot Zich fluiten zal; 19 die zullen komen en met haar allen neerstrijken in de dalen der steile hoogten en in de spleten der rotsen, in alle doornheggen en op alle drinkplaatsen. 20 Te dien dage zal de Here met een scheermes, aan de overzijde van de Rivier gehuurd, met de koning van Assur, het hoofdhaar en het haar der benen afscheren, ja, ook de baard zal Hij wegnemen. 21 En het zal te dien dage geschieden, dat een man een jonge koe en twee schapen in het leven zal behouden,
Deze tekst wordt door Mattheus gebruikt om de aankondiging van de maagdelijke geboorte van Jezus te bewijzen. Mat. 1:22, 23. In het hebreeuws wordt hier echter het woord ‘almah’ gebruikt wat ‘jonge vrouw betekent (dit in tegenstelling tot het woord ‘betulah’ wat maagd betekend). Verder wordt er in deze tekst geen voorzegging van de Messias gedaan maar wordt er door God een teken gegeven in die tijd om niet bang te zijn voor de aanvallende partij (vs 4). Voor dat dit kind opgegroeid zal zijn zal de belofte van God uitgekomen zijn. Het is toen ook uitgekomen Jes. 8:” 3 En ik was tot de profetes genaderd, en zij was zwanger geworden en baarde een zoon. En de Eeuwige zeide tot mij: Noem hem: Maher-salal Chas-baz, 4 want voordat de jongen zal kunnen roepen: Mijn vader en mijn moeder, zal men de rijkdom van Damascus en de buit van Samaria voor de koning van Assur dragen.” De profetie loopt verder door t/m Jesaja 9 en zo worden dat de bekende teksten in hoofdstuk 9 ook duidelijk. Ze gaan duidelijk over een situatie in die tijd.
8:10 Beraamt een plan, maar het wordt verbroken; spreekt een woord, maar het zal niet tot stand komen, want God is met ons.11 Want aldus heeft de Eeuwige tot mij gezegd, toen zijn hand mij overweldigde en Hij mij waarschuwde niet op de weg van dit volk te gaan: 12 Gij zult geen samenzwering noemen alles wat dit volk een samenzwering noemt en voor hetgeen zij vrezen, zult gij niet vrezen noch schrikken. 13 De Eeuwige der heerscharen, Hem zult gij heilig achten en Hij moet het voorwerp van uw vrees en Hij moet het voorwerp van uw schrik zijn….9:.1 Doch er zal geen donkerheid wezen voor het land dat in benauwdheid was. Zoals Hij in het verleden smaad bracht over het land van Zebulon en over het land van Naftali, zo brengt Hij in de toekomst eer over de weg der zee, de overzijde van de Jordaan, de landstreek der heidenen. 2 Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. 3 Gij hebt het volk vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. 4 Want het juk dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. 5 Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. 6 Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en de Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, noemt hem Vredevorst.7 Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de Eeuwige der heerscharen zal dit doen.8 De Eeuwige heeft een woord gezonden in Jakob en het is gevallen in Israël. 9 En het ganse volk zal het ervaren, Efraïm en de inwoners van Samaria, die in hoogmoed en grootsheid van hart zeggen: 10 Tichelstenen zijn gevallen, maar met gehouwen stenen herbouwen wij; wilde vijgebomen zijn geveld, maar ceders zetten wij daarvoor in de plaats.
Zie boven, het teken, de geboorte van het kind is in vervulling gegaan met de geboorte van Hizkia (Hizkia betekend: Sterke God). 2 Kon. 18:1 In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz, de koning van Juda. 2 Vijfentwintig jaar was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi; zij was een dochter van Zekarja. 3 Hij deed wat recht is in de ogen van de Eeuwige, geheel zoals zijn vader David gedaan had. 4 Hij verwijderde de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen en hieuw de gewijde palen om; ook sloeg hij de koperen slang stuk, die Mozes gemaakt had, omdat tot op die tijd de Israëlieten daaraan plachten te offeren. En men noemde haar Nechustan. 5 Hij vertrouwde op de Eeuwige, de God van Israël; na hem was zijns gelijke niet onder al de koningen van Juda; noch ook onder hen die voor hem geweest waren; 6 hij hing de Eeuwige aan, week niet van Hem af en onderhield de geboden die de Eeuwige aan Mozes geboden had. 7 De Eeuwige was met hem; overal, waarheen hij uittrok, was hij voorspoedig. En hij kwam in opstand tegen de koning van Assur en diende hem niet meer. 8 Hij versloeg de Filistijnen tot aan Gaza en verwoestte het gebied ervan, van de wachttoren af tot de versterkte stad toe.
Jesaja 11:1 En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isai en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. 2 En op hem zal de Geest van de Eeuwige rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze van de Eeuwige; 3 ja, zijn lust zal zijn in de vreze van de Eeuwige. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; 4 want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden. 5 Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen. 6 Dan zal de wolf bij het schaap verkeren en de panter zich nederleggen bij het bokje; het kalf, de jonge leeuw en het mestvee zullen tezamen zijn, en een kleine jongen zal ze hoeden; 7 de koe en de berin zullen samen weiden, haar jongen zullen zich tezamen nederleggen, en de leeuw zal stro eten als het rund; 8 dan zal een zuigeling bij het hol van een adder spelen en naar het nest van een giftige slang zal een gespeend kind zijn hand uitstrekken. 9 Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis van de Eeuwige, zoals de wateren de bodem der zee bedekken. 10 En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isai zullen zoeken, die zal staan als een banier der natien, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn. 11 En het zal te dien dage geschieden, dat de Here wederom zijn hand opheffen zal om los te kopen de rest van zijn volk, die overblijft in Assur, Egypte, Patros, Ethiopie, Elam, Sinear, Hamat en in de kustlanden der zee. 12 En Hij zal een banier opheffen voor de volken, en de verdrevenen van Israel verzamelen en de verstrooide dochters van Juda vergaderen van de vier einden der aarde. 13 Dan zal de afgunst van Efraim verdwijnen en zij die Juda benauwen, zullen uitgeroeid worden; Efraim zal niet afgunstig zijn op Juda en Juda zal Efraim niet benauwen. 14 Westwaarts zullen zij de Filistijnen op de schouder vliegen, samen zullen zij de stammen van het Oosten plunderen; naar Edom en Moab zullen zij hun hand uitstrekken en de Ammonieten zullen hun onderhorig zijn. 15 Dan zal de Eeuwige de zeeboezem van Egypte met de ban slaan en Hij zal zijn hand tegen de Rivier bewegen met de gloed van zijn adem, en Hij zal haar tot zeven beken uiteenslaan en maken, dat men geschoeid daardoor kan gaan. 16 Dan zal er een heerbaan zijn voor de rest van zijn volk, die in Assur overblijven zal, zoals er voor Israel geweest is ten dage, toen het optrok uit het land Egypte. 12:1 En gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, Eeuwige, omdat Gij toornig op mij zijt geweest; uw toorn heeft zich afgewend en Gij vertroost mij. 2 Zie, God is mijn heil, ik vertrouw en vrees niet, want mijn sterkte en mijn psalm is HaShem de Eeuwige, en Hij is mij tot heil geweest. 3 Dan zult gij met vreugde water scheppen uit de bronnen des heils. 4 En gij zult te dien dage zeggen: Looft de Eeuwige, roept zijn naam aan, maakt onder de volken zijn daden bekend, vermeldt, dat zijn naam verheven is. 5 Psalmzingt de Eeuwige, want Hij heeft grootse dingen gedaan; dit worde bekendgemaakt op de ganse aarde. 6 Juicht en jubelt, inwoners van Sion, want groot in uw midden is de Heilige Israëls.
Er wordt hier gesproken over een rijsje dat voortkomt uit de afgehouwen tronk van Ishai. De vreze des Heren rust op hem (Het rijsje ziet op een nakomeling van David nadat er geen hoop meer was voor een nakomeling. Na de tijd van koning Agrippa (die als laatste regeerder van Israël uit het geslacht van David was) lijkt de lijn van het geslacht van de ‘stam’ van David afgestorven. G’d belooft een nieuwe nakomeling. In vers 2 staat dat hij godvrezend zal zijn (als hij G’d zou zijn zou dit een onzinnige toevoeging zijn). Verder staat er dat, als hij als rijsje is voortgekomen, fysiek heerser en rechter zal zijn. Daardoor zal er in die tijd zoveel recht zijn dat het een effect op de natuur heeft. Zelfs een wolf en een lam kunnen tezamen zijn zonder dat de ene de ander verscheurt. In die tijd dat de Messias ontsproten is zal hij de rest van het volk Israël loskopen wat op dat moment nog in de verstrooiing is. En de volken zullen zich aan hem onderwerpen. Deze Messias is er tot op heden nog niet geweest.
Jes. 59: 17 Hij bekleedde Zich met gerechtigheid als met een pantser en de helm des heils was op zijn hoofd; Hij bekleedde Zich met wraak als met een gewaad en Hij hulde Zich in ijver als in een mantel. 18 Naar de daden zal Hij vergelden: grimmigheid aan zijn tegenstanders, vergelding aan zijn vijanden; aan de kustlanden zal Hij vergelding doen. 19 En men zal vanwaar de zon ondergaat de naam van de Eeuwige vrezen en vanwaar zij opgaat zijn heerlijkheid, want Hij komt als een onstuimige rivier, door de adem van de Eeuwige voortgezweept. 20 En een Verlosser zal komen voor Sion en voor wie zich in Jakob van overtreding bekeren, luidt het woord van de Eeuwige. 21 En wat Mij aangaat, dit is mijn verbond met hen, zegt de Eeuwige. Mijn Geest, die op u is, en mijn woorden, die Ik in uw mond gelegd heb, zullen niet wijken uit uw mond noch uit de mond van uw kroost, noch uit de mond van het kroost van uw kroost, zegt de Eeuwige, van nu aan tot in eeuwigheid.
In vers 20 wordt de Verlosser genoemd, de Messias die zal komen. Hij zal verlosser zijn voor degene die zich van het volk Israël bekeren. De anderen zullen er niet meer zijn. Gelet op de voorgaande verzen gaat het hier ook weer om fysieke verlossing (die natuurlijk ook geestelijke invloed heeft). In de Romeinenbrief van Paulus haalt deze tekst onjuist weergegeven Rom. 11:26 “gelijk geschreven staat: De Verlosser zal uit Sion komen, Hij zal goddeloosheden van Jakob afwenden.”. Dat is iets heel anders dan wat er in de profetieën echt staat. Duidelijk is dat de tekst verkeerd wordt aanhaalt. Het gaat over een fysieke verlosser voor degene die zich bekeerd.
Jer. 31: 15 Zo zegt de Eeuwige: Hoor, te Rama klinkt een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is. 16 Zo zegt de Eeuwige: Weerhoud uw stem van wenen, uw ogen van tranen; want er is loon voor uw arbeid, luidt het woord van de Eeuwige, zij zullen terugkeren uit het land van de vijand. 17 Ja, er is hoop voor uw toekomst, luidt het woord van de Eeuwige, de kinderen zullen naar hun gebied terugkeren.
Volgens Matt. 2:17 en 18 zou Jer. 31:15 een voorzegging zijn van de in Matteus 2 vertelde kindermoorden. Als je de teksten daarop volgend leest kom je er snel achter dat die bewering onzin is. Het gaat nl. om de voorzegging van het in ballingschap gaan van het volk Israël. De belofte die er op volgend wordt gegeven is namelijk dat de nakomelingen zullen terugkeren.
Deut. 18:15 Een profeet uit uw midden, uit uw broederen, zoals ik ben, zal de Eeuwige, uw God, u verwekken; naar hem zult gij luisteren.16 Juist zoals gij van de Eeuwige, uw God, gevraagd hebt op Horeb, op de dag der samenkomst, toen gij zeidet: Ik wil niet langer de stem van de Eeuwige, mijn God, horen en dit grote vuur niet langer zien, opdat ik niet sterve.17 Toen zeide de Eeuwige tot mij: Het is goed, wat zij gesproken hebben 18 een profeet zal Ik hun verwekken uit het midden van hun broederen, zoals gij zijt; Ik zal mijn woorden in zijn mond leggen, en hij zal alles tot hen zeggen, wat Ik hem gebied. 19 De man, die niet luistert naar de woorden welke hij in mijn naam spreken zal, van die zal Ik rekenschap vragen. 20 Maar een profeet, die overmoedig genoeg is om in mijn naam een woord te spreken, dat Ik hem niet gebood te spreken, of die in de naam van andere goden spreekt, die profeet zal sterven. 21 Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de Eeuwige niet gesproken heeft? 22 Als een profeet spreekt in de naam van de Eeuwige en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de Eeuwige niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen.
Volgens Hand. 3,22, 23 en 7: 37 wordt hier Jezus mee bedoeld. Als we echter het stuk geheel doorlezen is het echter een handvat voor het volk Israël om profeten mee te beproeven of ze door G’d gezonden zijn. Zie vers 20 en verder. Als de woorden van een profeet, die hij namens de Eeuwige heeft gesproken niet uitkomen heeft hij in zijn eigen overmoed gesproken.
We moeten concluderen dat deze tekst in Deuteronomium niet specifiek over de Messias gaat maar alleen een handvat is waarmee profeten herkend kunnen worden ondanks het feit dat het aan de hand van het boek Handelingen anders wordt uitgelegd.
Ps 2:1 Waarom woelen de volken en zinnen de natien op ijdelheid? 2 De koningen der aarde scharen zich in slagorde en de machthebbers spannen samen tegen de Eeuwige en zijn gezalfde: 3 Laat ons hun banden verscheuren en hun touwen van ons werpen! 4 Die in de hemel zetelt, lacht; de Here spot met hen. 5 Dan spreekt Hij tot hen in zijn toorn, en verschrikt hen in zijn gramschap: 6 Ik heb immers mijn koning gesteld over Sion, mijn heilige berg. 7 Ik wil gewagen van het besluit van de Eeuwige: Hij sprak tot mij: Mijn zoon zijt gij; Ik heb u heden verwekt. 8 Vraag Mij en Ik zal volken geven tot uw erfdeel, de einden der aarde tot uw bezit. 9 Gij zult hen verpletteren met een ijzeren knots, hen stukslaan als pottenbakkerswerk. 10 Nu dan, gij koningen, weest verstandig, laat u gezeggen, gij richters der aarde. 11 Dient de Eeuwige met vreze en verheugt u met beving. 12 Kust de zoon, opdat hij niet toorne en gij onderweg niet te gronde gaat, want zeer licht ontbrandt zijn toorn. Welzalig allen die bij Hem schuilen!
Met name de tekst 2:12 wordt gezien als Messiaans. Het zou de betekenis hebben: Aanvaardt Jezus (als verlosser) anders kom je onder de toorn van God. Als we deze tekst in het Hebreeuws bekijken staat er echter iets anders dan er is vertaald. Letterlijk staat er namelijk. “Omarm puurheid opdat Hij (God) niet toorne. Dat is heel wat anders. Het woord dat de vertalers in zoon hebben vertaald is ‘baar’. Het Aramese woord ‘bar’ betekend inderdaad zoon. Maar hier staat het hebreeuwse woord ‘baar’. Dat is iets heel anders. Het Hebreeuwse woord voor zoon is ‘ben’ (wat ook in vers 7 wordt gebruikt). De psalm gaat inderdaad over de Messias maar duidelijk als een fysieke koning die de aarde zal regeren. Zie ook 2:6 waarin de Gezalfde (Messias is het hebreeuws voor gezalfde. Koningen werden gezalfde genoemd maar bijv. ook hogepriesters an alle anderen die voor een bepaalde taak waren gezalfd)
Ps. 110: 1 Van David. Een psalm. Aldus luidt het woord van de Eeuwige tot mijn Heer (Adon): Zet u aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gelegd heb als een voetbank voor uw voeten. 2 De Eeuwige strekt van Sion uw machtige scepter uit: heers te midden van uw vijanden. 3 Uw volk is een en al gewilligheid ten dage van uw heerban; in heilige feestdos rijst uit de schoot van de dageraad de dauw uwer jonge mannen voor u op. 4 De Eeuwige heeft gezworen en het berouwt Hem niet: Gij zijt priester voor eeuwig, naar de wijze van Melchisedek.
In vers 1 staat er: De Eeuwige zegt tot mijn meester (ofwel De Eeuwige zegt tot David, die hun meester was). De Levieten zingen deze psalm over David. De meeste vertalers vertalen n.a.v. Matt. 22:41-46 “De Here zegt tot mijn Here” er op doelend dat Jezus God is en dat deze tekst over Jezus gaat. Als we dus de grondtekst bekijkend heeft die verklaring echter geen grond. In vers 4 staat vanuit het Hebreeuws" 'De Eeuwige heeft gezworen en het berouwt Hem niet, Je zal priester zijn voor altijd want je bent een koning der gerechtigheid (rechtvaardige koning). Melchizedek betekend koning der gerechtigheid, rechtvaardige koning. Het betekend: Een Joodse koning moet dienst doen als een priester; Het volk (Israël) dichter bij de dienst aan de Eeuwige brengen.
Zach 12:7 Ook zal de Eeuwige de tenten van Juda allereerst verlossen, opdat de trots van het huis van David en van de inwoners van Jeruzalem zich niet verheffe tegen Juda.8 Te dien dage zal de Eeuwige de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie onder hen struikelt, zal te dien dage zijn als David, en het huis van David als God, als de Engel van de Eeuwige voor hun aangezicht. 9 Te dien dage zal Ik zoeken te verdelgen alle volken die tegen Jeruzalem oprukken. 10 Ik zal over het huis van David en over de inwoners van Jeruzalem uitgieten de Geest der genade en der gebeden; zij zullen hem aanschouwen, die zij doorstoken hebben, en over hem een rouwklacht aanheffen als de rouwklacht over een enig kind, ja, zij zullen over hem bitter leed dragen als het leed om een eerstgeborene. 11 Te dien dage zal in Jeruzalem de rouwklacht groot zijn, zoals de rouwklacht van Hadadrimmon in het dal van Megiddo; 12 het land zal een rouwklacht aanheffen, alle geslachten afzonderlijk; het geslacht van het huis van David afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, het geslacht van het huis van Natan afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk, 13 het geslacht van het huis van Levi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; het geslacht van Simi afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk; 14 alle overige geslachten, alle geslachten afzonderlijk en hun vrouwen afzonderlijk.13:1 Te dien dage zal er een bron ontsloten zijn voor het huis van David en voor de inwoners van Jeruzalem ter ontzondiging en reiniging. 2 En Ik zal te dien dage, luidt het woord van de Eeuwige der heerscharen, de namen van de afgoden uit het land uitroeien, zodat niet meer aan hen gedacht zal worden; ook de profeten en de onreine geest zal Ik uit het land wegdoen. 3 Wanneer dan nog iemand als profeet optreedt, zullen zijn vader en zijn moeder, die hem verwekt hebben, tot hem zeggen: Gij zult niet blijven leven, omdat gij leugens gesproken hebt in de naam van de Eeuwige; ja, zijn vader en zijn moeder, die hem verwekt hebben, zullen hem doorsteken, wanneer hij als profeet optreedt. 4 Te dien dage zullen de profeten beschaamd staan, ieder om wat hij schouwt, wanneer hij als profeet optreedt, en zij zullen geen haren mantel aantrekken om leugens te vertellen.
In Zach.12 vers 10 staat er als we de grondtekst bekijken: “en ze zullen mij aanschouwen, vanwege degene (at asher) die waren doorstoken en ze zullen over hem rouwen zoals men rouwt over een enigste zoon. Met de bovengenoemde vertaling wordt verwezen naar Jezus (Jezus werd echter door Romeinen in zijn zij gestoken en niet door Joden). Er staat ze zullen naar Mij (God) opzien vanwege degene die doorstoken is. God en de doorstokene zijn twee verschillenden. Er zijn 2 uitleggingen over dit gedeelte; de eerste is dat ten tijde van de uiteindelijke verlossing dat het Joodse volk naar HaShem op zullen kijken met een aanklacht tegen de Chaldeeen die hen 'doorstoken' hebben. Anderen menen dat het hier over de Messias ben Jozef (niet de Messias ben David) gaat die gedood zal worden in de eindstrijd. HaShem zal daarop alle natiën vernietigen die tegen Jeruzalem optrekken.
Zie voor de bredere context van het rouwen over het doorstoken of van het doorsteken van Messias ben Jozef de volgende teksten. Als het volk dan rouwt zullen ze vertroost worden. Het gaat vanuit de context zeker niet om verdriet vanwege het afwijzen van de Messias. Jes. 61:3 “om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting van de Eeuwige, tot zijn verheerlijking.” , Jes. 66:10 “Verheugt u met Jeruzalem en juicht over haar, gij allen die haar liefhebt. Verblijdt u over haar met blijdschap, gij allen die over haar treurt, opdat gij zuigt en u laaft aan haar vertroostende borst,” en 2 Kron. 35:22-25 “22 Doch Josia wendde zich niet van hem af, maar vermomde zich, om tegen hem ten strijde te trekken; hij luisterde niet naar de woorden van Neko, die uit de mond Gods kwamen, en bond de strijd aan in de vlakte van Megiddo. 23 Toen raakten de schutters koning Josia; en de koning zeide tot zijn dienaren: Brengt mij weg, want ik ben zwaar gewond. 24 En zijn dienaren haalden hem uit de strijdwagen, vervoerden hem op zijn tweede wagen en brachten hem naar Jeruzalem. Toen stierf hij en werd bijgezet in de graven zijner vaderen, en geheel Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia. 25 En Jeremia zong een klaagzang op Josia, en al de zangers en zangeressen gewaagden van Josia in hun klaagzangen, tot heden toe. Zij maakten hiervan een vaste gewoonte in Israël; zie, zij zijn geschreven in de Klaagzangen.”
Hos. 11:1-5 1 Toen Israël een kind was, heb Ik het liefgehad, en uit Egypte heb Ik mijn zoon geroepen. 2 Hoe meer men hen riep, des te meer dwaalden zij weg: aan de Baals offerden zij en aan de gesneden beelden brachten zij reukoffers. 3 En Ik leerde Efraim lopen; Ik nam hen op mijn armen, maar zij erkenden niet dat Ik hen genas. 4 Met mensenbanden trok ik hen, met koorden der liefde; Ik was hun als degenen die het juk van hun kinnebak hieven. Ik neigde Mij tot hem, gaf hem te eten. 5 Zal hij niet naar het land Egypte terugkeren? Ja, Assur zal zijn koning zijn, omdat zij geweigerd hebben zich te bekeren.
Het fragment uit Egypte heb ik mijn zoon geroepen wordt wel als specifieke voorzegging van Jezus gezien die volgens de evangeliën in Egypte is geweest. Uit de hele context blijkt echter dat het hier specifiek om het volk Israël gaat die de zoon van God wordt genoemd.(zie Ex. 4:22, 23a “Dan zult gij tot Farao zeggen: Zo zegt de Eeuwige: Israël is mijn eerstgeboren zoon; 23 daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene;” Verder wordt er duidelijk gesproken dat deze zoon vanwege ongehoorzaamheid weer in ballingschap gaat. Dat is ook gebeurt. 2Ki 17:3 Tegen hem trok Salmanassar, de koning van Assur, op; en Hosea onderwierp zich aan hem en betaalde hem schatting. 4 Maar toen de koning van Assur een samenzwering bij Hosea ontdekte, dat hij gezanten naar So, de koning van Egypte, gezonden had en aan de koning van Assur geen schatting meer opbracht, zoals van jaar tot jaar, nam de koning van Assur hem gevangen en sloot hem in boeien in de gevangenis. 5 De koning van Assur trok door het gehele land, rukte op naar Samaria en belegerde het drie jaar. 6 In het negende jaar van Hosea nam de koning van Assur Samaria in; hij voerde Israel in ballingschap naar Assur en deed hen wonen in Chalach, aan de Chabor, de rivier van Gozan en in de steden der Meden.
Micha 5:2 En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israel en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid. 3 Daarom zal Hij hen prijsgeven tot de tijd, dat zij die baren zal, gebaard heeft. Dan zal het overblijfsel zijner broederen terugkeren met de Israelieten.4 Dan zal Hij staan en hen weiden in de kracht van de Eeuwige, in de majesteit van de naam van de Eeuwige, zijns Gods; en zij zullen rustig wonen, want nu zal Hij groot zijn tot aan de einden der aarde,…10 Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Eeuwige, dat Ik uw paarden uit uw midden zal uitroeien en dat Ik uw strijdwagens zal vernietigen.11 Ik zal de steden van uw land uitroeien en al uw vestingen afbreken.12 Ook zal Ik de toverijen uit uw hand uitroeien, en gij zult geen waarzeggers meer hebben.
Op grond van deze tekst wordt verondersteld dat de Messias er van eeuwigheid was. Letterlijk staat er echter “En gij, Betlehem Efrata, je zou de kleinste zijn onder de geslachten van Juda, uit u zal voor Mij voortkomen, die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van de dagen van ouds” . Ter vergelijking in Micha 7:14b hebben de vertalers de hebreeuwse woorden (kemi/memi olam) wel juist vertaald met de dagen van ouds: “als in de dagen van ouds.”. Zo ook in Mal. 3:4 “als in de dagen van ouds en als in vroegere jaren.”, Amos 9:11 en Jes. 63:9 en 11. Er wordt hier gewoon mee bedoeld dat de Messias uit het huis van David zal komen.
Dan. 9:24 Zeventig weken zijn bepaald over uw volk en uw heilige stad, om de overtreding te voleindigen, de zonde af te sluiten, de ongerechtigheid te verzoenen, en om eeuwige gerechtigheid te brengen, gezicht en profeet te bezegelen en iets allerheiligst te zalven. 25 Weet dan en versta: vanaf het ogenblik, dat het woord uitging om Jeruzalem te herstellen en te herbouwen tot op een gezalfde, een vorst, zijn zeven weken. En tweeënzestig weken lang zal het hersteld en herbouwd blijven, met plein en gracht, maar in de druk der tijden.26 En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is; en het volk van een vorst die komen zal, zal de stad en het heiligdom te gronde richten, maar zijn einde zal zijn in de overstroming; en tot het einde toe zal er strijd zijn: verwoestingen, waartoe vast besloten is. 27 En hij zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is
In dit gedeelte wordt er als eerste gesproken over het terugvorderen van de niet onderhouden shabbatsjaren die ‘teruggevorderd’ zouden worden. Le 26:34 “Dan zal het land zijn sabbatsjaren vergoed krijgen, al de dagen dat het woest ligt en gij in het land uwer vijanden zijt; dan zal het land rusten en zijn sabbatsjaren vergoeden. 35 Al de tijd der verwoesting zal het rusten, de rust die het niet gehad heeft gedurende uw sabbatsjaren, toen gij daarin woondet.” Er wordt door het woordgebruik van de weken eigenlijk terugverwezen naar de niet onderhouden shabbatsjaren. Zie de context: 9:4 En ik bad tot de Eeuwige, mijn God, en deed schuldbelijdenis en zeide: Ach Here, Gij grote en geduchte God, die vasthoudt aan het verbond en de goedertierenheid jegens hen die U liefhebben en uw geboden bewaren; 5 wij hebben gezondigd en misdreven, wij hebben goddeloos gehandeld en zijn wederspannig geweest; wij zijn afgeweken van uw geboden en van uw verordeningen,….. 13 Zoals geschreven staat in de wet van Mozes, is al dit onheil over ons gekomen, en wij hebben de Eeuwige, onze God, niet vermurwd door ons te bekeren van onze ongerechtigheden en acht te slaan op uw waarheid. In een aantal christelijke vertalingen wordt de tekst iets anders vertaald met name de versen 25 en 26 “tot op Messias, den Vorst, zijn zeven weken, en twee en zestig weken; de straten, en de grachten zullen wederom gebouwd worden, doch in benauwdheid der tijden. En na die twee en zestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor Hem zelven zijn”. De Messias waar in beide versen over gesproken wordt is dan Jezus. Gebaseerd op het hebreeuws worden hier echter twee gezalfden genoemd. De eerste is er na 7 shabbatsjaren nadat het woord uitging. De andere gezalfe is er na 69 shabbatsjaren. De eerste is Kores, die een gezalfde van God wordt genoemd (Jes. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te openen, geen poorten blijven gesloten.) (Jes. 44:28 die tot Kores zeg: Mijn herder, hij zal al mijn welbehagen volvoeren door tot Jeruzalem te zeggen: Het worde herbouwd en de tempel worde gegrondvest. 45:1 Zo zegt de Eeuwige tot zijn gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand Ik gevat heb om volken voor hem neer te werpen: de lendenen van koningen ontgord Ik; om deuren voor hem te openen, geen poorten blijven gesloten.). De gezalfde die in vers 26 wordt genoemd is waarschijnlijk Agrippa II, de laatste joodse. Hij stierf in die periode. De vorst die verder in vers 26 wordt genoemd is de Romeinse Titus. Let op: de juiste vertaling van vers 26a (En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, terwijl er niets tegen hem is) is: En na de tweeënzestig weken zal een gezalfde worden uitgeroeid, en niet meer zijn (zoals het in de Lutherse vertaling vertaald wordt). Ook nu wordt de vertaling (zonder dat uit een bepaalde vooronderstelling te doen) heel anders. Binnen de Joodse traditie wordt het boek Daniël niet onder de profetische geschriften grekend.
Mal 4:1 Want zie, de dag komt, brandend als een oven! Dan zullen alle overmoedigen en allen die goddeloosheid bedrijven, zijn als stoppels, en de dag die komt, zal hen in brand steken (zegt de Eeuwige der heerscharen) welke hun wortel noch tak zal overlaten. 2 Maar voor u, die mijn naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen; gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal. 3 Gij zult de goddelozen vertreden, want tot stof zullen zij zijn onder uw voetzolen op de dag die Ik bereiden zal, zegt de Eeuwige der heerscharen. 4 Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israel, inzettingen en verordeningen. 5 Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag van de Eeuwige komt.6 Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban.
Met name vers 2 wordt als een specifieke verwijzing gezien naar Jezus (n.a.v. van Matt. 9:20,21). In deze teksten aan het eind van het oude testament wordt er een beeld gegeven over de toekomst die nog moet komen. Dat wordt duidelijk aan de hand van vers 1 “die dag komt brandende als een oven”. De frase “onder haar vleugelen” heeft specifiek te maken met het luisteren naar God, het onderhouden van de Thora. Dat lees je in de context, hoofstuk 3 (14 Gij zegt: Nutteloos is het God te dienen; wat gewin geeft het, dat wij zijn geboden onderhouden en dat wij in rouw gaan voor het aangezicht van de Eeuwige der heerscharen? 15 En nu, wij prijzen de overmoedigen gelukkig; niet alleen worden zij gebouwd, terwijl zij goddeloosheid bedrijven, maar ook verzoeken zij God, en ontkomen. 16 Dan spreken zij die de Eeuwige vrezen, onder elkander, ieder tot zijn naaste: De Eeuwige bemerkte het toch en hoorde het en er werd een gedenkboek voor zijn aangezicht geschreven, ten goede van hen die de Eeuwige vrezen en zijn naam in ere houden. 17 Zij zullen Mij ten eigendom zijn, zegt de Eeuwige der heerscharen, op de dag die Ik bereiden zal. En Ik zal hen sparen, zoals iemand zijn zoon spaart, die hem dient.). Dat wordt ook duidelijk in 4:4 “Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen” Dit tekst gedeelte is het laatste gedeelte uit de Tenach met daarin als het ware een laatste oproep. Daarom geven deze woorden ook duidelijk aan wat voor Israël van belang is om tot herstel te komen. Er staat “Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israel, inzettingen en verordeningen”. Dat geeft aan dat herstel van Israël plaats vindt door bekering naar het onderhouden van de Thora zoals dat als eeuwige inzetting in Lev. 26 (40 Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben…42 dan zal Ik mijn verbond met Ya’akov gedenken; ook mijn verbond met Itschak en ook mijn verbond met Avraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. … 45 Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de Eeuwige) en Deut. 30 (1 Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw G’d, u verdreven heeft, 2 en wanneer gij u dan tot de Eeuwige, uw G’d, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel, 3 dan zal de Eeuwige, uw G’d, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw G’d, u verstrooid heeft. 4 Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Eeuwige, uw G’d, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; 5 de Eeuwige, uw G’d, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen. 6 En de Eeuwige, uw G’d, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Eeuwige, uw G’d, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft) is gegeven. Om concreet te zijn. Er staat niet dat er na een bepaalde tijd de Thora wordt afgeschaft en dat het geloof in Gods vergeving door de dood van de Messias daarvoor in de plaats komt. Als dat zo zou zijn zou dat specifiek hier vermeldt zijn. Latere gebeurtenissen moeten aan het voorgaande getoetst worden. Als het latere in tegenspraak is met het eerdere moet je het latere laten rusten en je aan de oorspronkelijke instructies houden. De woorden “Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban” heeft ook weer specifiek te maken met het weer onderwijzen van de Thora door de vaders en het weer luisteren van de kinderen naar het Thora onderwijs dat de vaders geven Deut. 6: 7 “gij zult het uw kinderen inprenten en daarover spreken, wanneer gij in uw huis zit, wanneer gij onderweg zijt, wanneer gij nederligt en wanneer gij opstaat.”
Zo zijn er vele vele teksten die op die manier worden gebruikt om er een Messiaanse profetie in te leggen. Bestudering van de tekst en zijn context laten iedere keer weer zien dat dat onterecht is. Nogmaals een eenvoudige cursus Hebreeuws of een goede vertaling zou ieder helpen om zelf de verschrijvingen duidelijk te zien.
Ten slotte:
Zoals we al zeiden ontdekten we dat er in de Tenach (het Oude Testament) relatief weinig aandacht wordt gegeven aan de (exacte identiteit van de) Messias in vergelijking met de hoedanigheid van de Messiaanse tijd. Er worden vooral kenmerken gegeven van wat hij doet. De geschriften leggen meer de nadruk op de Messiaanse tijd dan op de Messias. De Messias in een middel in de hand van G’d om de Messiaanse tijd, waarin ieder volgens de Thora zal leven, tot werkelijkheid te brengen.
We hebben ook een antwoord op de in de introductie gestelde vragen.
We hebben gezien hoe de Messias ben David volgens de Tenach is te te herkennen:
○ Hij krijgt van God heerschappij over Israël en volken,
○ Hij is vernietiger van Edom
○ Koning
○ Houdt zich aan de Thora instructies en leeft ze voor
○ Zal de tempel van de Eeuwige bouwen, die temidden van het volk Israël zal staan
○ Zal op dezelfde manier als David koning zijn
○ Is niet G’d zelf
○ Leeft als David in dienst van G’d
○ Brengt de rest van het volk Israël weer terug naar het land Israël.
Over welke verlossing(en) werd er in de Tenach (Oude Testament) gesproken? Over fysieke verlossing van vijanden (die vaak vanwege zondigen over hen kwamen)
Hoe vindt die verlossing, volgens de Tenach, plaats?. Door de vijanden te vernietigen en het Messiaanse rijk te stichten.
Hoe verhoudt zich in de Tenach de verlossing tot het terugkeren naar het land Israël landsbelofte? Verlossing een terugkeer naar het land horen onlosmakelijk bij elkaar.
Is de Messias op grond van de Tenach God zelf? Neen.
Hoe komt er herstel in de relatie met God? Door belijdenis en bekering. Lev. 26 (40 Maar belijden zij hun ongerechtigheid en die hunner vaderen, in de ontrouw waarmede zij tegen Mij ontrouw zijn geweest, en ook dat zij zich tegen Mij verzet hebben…42 dan zal Ik mijn verbond met Ya’akov gedenken; ook mijn verbond met Itschak en ook mijn verbond met Avraham zal Ik gedenken, en Ik zal het land gedenken. … 45 Maar Ik zal hun ten goede gedenken het verbond met hun voorvaderen, die Ik voor de ogen der volken uit het land Egypte heb geleid, om hun tot een God te zijn. Ik ben de Eeuwige) en Deut. 30 (1 Wanneer dan al deze dingen over u komen, de zegen en de vloek, die ik u voorgehouden heb, en gij dit ter harte neemt te midden van al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw G’d, u verdreven heeft, 2 en wanneer gij u dan tot de Eeuwige, uw G’d, bekeert en naar zijn stem luistert overeenkomstig alles wat ik u heden gebied, gij en uw kinderen, met geheel uw hart en met geheel uw ziel, 3 dan zal de Eeuwige, uw G’d, in uw lot een keer brengen en Zich over u erbarmen; Hij zal u weer bijeenbrengen uit al de volken, naar wier gebied de Eeuwige, uw G’d, u verstrooid heeft. 4 Al waren uw verdrevenen aan het einde des hemels, de Eeuwige, uw G’d, zal u vandaar bijeenbrengen en vandaar halen; 5 de Eeuwige, uw G’d, zal u brengen naar het land, dat uw vaderen bezeten hebben, gij zult het bezitten en Hij zal u weldoen en u talrijker maken dan uw vaderen. 6 En de Eeuwige, uw G’d, zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden, zodat gij de Eeuwige, uw G’d, liefhebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel, opdat gij leeft
Bronnen:
Tanach, Stone Editie, Hebreeuwse Tanach met Engelse vertaling
The Disputation door J.Levy uitg. Jewish Heritage & Roots Library
Lets get Biblical; Rabbijn Tovia Singer
The Teacher and the preacher; Moshe Avraham Ben Baruch